
Ghaxúrzh
|
|
Uit het boek..
In de zinderende middaghitte, die danste boven de stad, liet de vrouw de dragers halthouden. Bewegingsloos bleven ze in de brandende zon staan. Het ragfijne gordijn van de draagstoel ging een kiertje open en onzichtbare ogen uit een gesluierd gelaat keken uit over de witte stad die beneden aan de voet van de vluchtrots lag te sidderen in de onbarmhartige hitte.
De vrouw was betoverend. Niet dat het gewone volk van Ghaxúrzh naar haar durfde te kijken. Ze was tenslotte een nhad'bir, een edele, die nog genoeg koninklijk bloed in de aderen had om zich ook urit, prinses, te mogen noemen. Maar ze was betoverend. Ze was een zee van goud, een zee van goud op een glanzende, hazelwormkleurige huid. Ze was een droom van gebronsde huid, doordringende, mysterieuze ogen, geoliede zwarte haren en ragfijne, vloeiende sluiergewaden, felgekleurd en goudbestikt, een paradijselijke fantasie van exotische sieraden en zware oogmake-up.
De donkere prinses liet de draagstoel halthouden om over de stad uit te kijken. Haar stad, met al zijn moois en lelijks, maar haar stad, de stad waar ze was geboren en opgegroeid. Hier, in het dorstige Ghaxúrzh, was de vrouw ter wereld gekomen.
Ghaxúrzh. De naam was als een zandstorm, gewelddadig en dodelijk. De vrouw in de draagstoel wist niet of ze de stad moest haten of liefhebben. Maar ze wist wel dat ze er niet kon blijven. Ze zou hier gevangen worden in het eeuwig vibrerende web van intriges, vermalen tussen de schurende stenen van onzichtbaar gevaar. Ze had altijd gedacht dat van alle mensen die de stad bevolkten, zij de meeste kans maakte boven deze gevaren verheven te zijn, maar ze had zichzelf toegestaan te veel te vertrouwen op haar positie.
Niemand in Ghaxúrzh was veilig. Niemand was gegarandeerd te kunnen ontsnappen aan het gruwelijke lot dat deze stad uit het niets tevoorschijn kon toveren. Niemand, misschien zelfs de koningin niet. En dus ook Marashi niet…