Skip to content

Gedurfde heldendaden op zee

Door: ©Ronalda Kreekel-Kramer (AI generated)

Ik heb dus iets met piraten. Maar ook met zeehelden. Dat kwam niet, omdat ik vroeger in de Zeeheldenbuurt woonde of omdat ik Met een Blauwgeruite Kiel leerde zingen als kind. Het is het verlengde van mijn ‘iets’ met piraten en dan in het bijzonder met zeeslagen.

Ik kon vroeger lang de details bestuderen van puzzels van historische zeeslagen (we hadden thuis die van de Slag bij Ter Heijde van Van Beerstraten) en het was het spannendste deel van zeefilms met Errol Flynn. Ik verslond Horatio Hornblower van Forester (hoewel ik de boeken van O’Brian minder interessant vond). Ik ben totaal gefascineerd als ik de Batavia of HMS Victory bezoek over de horror die de matrozen bij zo’n slag meegemaakt moeten hebben. Veruit het dichtst bij zo’n beleving komt de gevechtsscène van Master and Commander met Russell Crowe, waarin je je er middenin waant.

En waar piraten aan de criminele, illegale kant van de medaille stonden, zo stonden zeehelden aan de andere kant. Met kapers er een beetje tussenin. En tja, soms opereerden piraten dan weer in opdracht van een overheid, waardoor het een beetje legaal werd, en deden vlootofficieren aan illegale piraterij. Er zat een stevig portie overlapping in.

Maar ik denk dat een kapitein en zijn bemanning die een zeeslag aangingen, allemaal dezelfde ellende meemaakten en dezelfde moed nodig hadden, of we het hier nu over een kleine piratensloep hebben of een enorme ‘man-o’-war’ van de hoogste categorie.

Maar wat het meest aanspreekt tussen alle heldenverhalen, zijn de David-tegen-Goliath overwinningen of successen die door sluwe en originele listen zijn behaald. Ze lezen als een jongensroman en prikkelen in ieder geval mijn fantasie.

Ik heb er voor jullie – en mijn – genot een aantal geselecteerd uit de Tijdperk van het Zeil en me daarbij beperkt tot Europese en Noord-Amerikaanse helden. Hier is mijn lijst met gedurfde aanvallen, wanhopige zetten, uitzonderlijke moed en originele krijgslisten. Laat vooral weten als je vindt dat ik een pareltje heb gemist en laten we beginnen met aftellen.

15. Het schip van de Groot-Mogul

De enorme Mogulvloot met handelswaren, schatten en pelgrims voor Mekka laat iedere piraat het water in de mond lopen. Maar de vloot innemen is niet zo eenvoudig. Ze bestaat dat jaar uit 25 schepen, waarvan sommige gigantisch in formaat, bemanning en bewapening.

Toch besluit Henry Every het te wagen.

Every is pas een jaar piraat. Hij heeft de Fancy in de lente of zomer van 1694 na een muiterij verkregen. Het is een 5th rate fregat met 46 kanons en 113 man aan boord. Hij hoeft het niet alleen te doen: hij heeft een kleine vloot gevormd met vijf andere piraten, maar aangezien hij bij verre weg het grootste schip heeft, is hij de tijdelijke admiraal. In totaal hebben de piraten 440 man om hun slag te slaan.

In de nacht weet de Mogulvloot te ontsnappen, maar de piraten zetten de achtervolging in. Daar blijkt al snel dat sommigen te langzaam zijn. Eén schip is zo traag, dat het verbrand wordt en de bemanning overstapt op de Fancy.

Na vier of vijf dagen halen ze een achterblijver in. Dit is de escorte Fateh Muhammed. Het is een indrukwekkende tegenstander: 94 kanons, 800 bemanningsleden. Toch besluit Every het aan te vallen. Of het nu komt, omdat de bemanning laf is, of omdat ze al schade opgelopen hebben in een eerder gevecht met de Amity, waarbij kapitein Tew omgekomen is, valt niet te achterhalen, maar Every neemt het in ieder geval met weinig weerstand in.

Hierbij maken ze 50.000-60.000 pond buit (omgerekend nu 30 miljoen dollar). Maar aangezien het over de hele vloot verdeeld moet worden, is het uiteindelijk per persoon maar karig. En dus gaan ze ook achter de Ganj-i-Sawai aan. Dit is het persoonlijke vlaggenschip van de keizer van India. Afhankelijk van de bron heeft het 62 of 80 kanons en ongeveer 1100 man aan boord, waaronder ongeveer 450 soldaten. Hoeveel mensen aan boord matrozen zijn die kunnen vechten of weerloze pelgrims valt niet goed te achterhalen.

Op 7 september 1695 komt het dan tot het beruchte treffen, een treffen dat de Fancy op papier had moeten verliezen. Maar de eerste volle laag van de piraten doet de weegschaal doorslaan ten gunste van hen. De hoofdmast van de Indiër wordt meteen al doormidden geschoten en als er ook nog een kanon explodeert, wat chaos en brand veroorzaakt, lijkt het pleit bezegeld.

Nu laat Every enteren, waaraan maar twee schepen deelnemen, eerst de Fancy en daarna ook de Pearl. Wat er precies gebeurt, weten we alleen van een beschrijving van een Indische historicus die in Surat is, wanneer het geplunderde schip daar later aankomy. Hij schrijft dat de kapitein benedendeks vluchtte en de slavinnen bewapende, met het bevel de piraten te bevechten. Hij plaatst de schuld volledig op de schouders van deze man, omdat hij geen leiding had gegeven aan het twee tot drie uur durende felle gevecht, waardoor het schip uiteindelijk viel. Met de aantallen mensen aan boord had dat nooit mogen gebeuren.

Hoeveel piraten bij dit gevecht omgekomen zijn, is onduidelijk. Dat kunnen er een paar geweest zijn, maar ook meer dan honderd.

Wat er daarna gebeurt, is minder fraai. Dagen van verkrachting, moord en marteling volgen. We weten dat dit gebeurt, omdat enkele van de piraten die later gevangengenomen zijn, dit getuigen en vertellen dat het nog zwaar op hun ziel drukt.

Maar de buit is astronomisch. Hoeveel het is, wordt nooit helemaal duidelijk. De Engelse overheid beweert dat het 325.000 pond betreft, maar die heeft er baat bij te laag in te schatten, de Indische overheid zegt 600.000, maar die heeft belang bij overdrijven. Afhankelijk van de huidige berekening is dat zo’n 200 tot 400 miljoen dollar.

Dit hoeft alleen gedeeld te worden met de Pearl, omdat de andere schepen niet deelgenomen hebben. Maar uiteindelijk wordt de bemanning van de Pearl hun aandeel weer afgenomen, ogenschijnlijk als straf voor het feit dat zij gesnoeide munten verhandelen aan de bemanning van de Fancy. Every geeft de kapitein van de Pearl in ieder geval 2000 stukken van acht en daarna gaat ieder zijns weegs.

Every zeilt naar Isle Bourbon en komt daar in november aan. Daar krijgt elke piraat ongeveer 1000 pond (rondom een ton nu) plus een aandeel in juwelen. De Fransen en Denen aan boord blijven hier achter, de rest zeilt naar de Bahama’s. Om niet op te vallen als ze met Indische munten betalen, kopen ze op Isle Bourbon negentig slaven. Die kunnen niet alleen aan boord het zware werk doen, maar ook weer (met winst) verkocht worden. Het gestolen geld wordt zodoende witgewassen. Zeventien mannen blijven vrijwillig achter op Ascension Island en komen nooit aan in de Bahama’s (toentertijd een piratenparadijs).

Daar weet Every de gouverneur om te kopen, wat niet erg moeilijk is. Allereerst betreft de omkoopsom drie keer zijn jaarsalaris. Ten tweede weet hij dat als hij Every zou dwarsbomen, die het eiland gemakkelijk zou kunnen plunderen. En ten derde dreigt er een buitenlandse aanval, die de gouverneur nooit zou kunnen weerstaan, maar wel met behulp van de Fancy. Dit is wat we ook eerder zien in Port Royal op Jamaica: de overheid laat een eiland te zwak beschermd, waardoor de bevolking en handelaren hun toevlucht zoeken tot piraten en boekaniers, die in ruil voor een vrijhaven en een blind oog helpen het eiland te beschermen.

Niet dat de piraten nu blij zijn. Hemel, wat is Nassau saaaaaai! Ze hebben er nauwelijks de mogelijkheid om de bloemetjes buiten te zetten! En lang zal hun verblijf hier ook niet duren.

Want inmiddels heeft de keizer gehoord wat er gebeurd is en hij is begrijpelijkerwijs woedend. En als straf laat hij Engelse officieren en handelaren in de factorijen die Engeland in India heeft, gevangennemen en sluit vijf belangrijke handelshavens. De East India Company, die financieel toch al in zwaar weer zit, kan dan niet anders doen dan de schade vergoeden en een prijs op het hoofd van Every te zetten. Samen met de Engelse overheid looft het maar liefst 1000 pond uit, een gigantisch bedrag toen.

Dit zet de eerste wereldwijde klopjacht opgetekend in de geschiedenis in gang.

Maar Every is nooit gevangengenomen. Enkele van zijn mannen wel en vijf of zes zijn er uiteindelijk opgehangen, maar Every zelf en de rest van zijn bemanning zijn van de aardbodem verdwenen.

Is dit de grootste piratenbuit ooit? Dat hangt ervan af of er 325.000 of 600.000 pond buitgemaakt is. In 1721 nemen Levasseur en Taylor de Nossa Senhora do Cabo. Daarvan wordt de buit geschat op 875.000 pond, wat nu meer dan 400 miljoen dollar zou zijn, afhankelijk van de rekenmethode. Dat zou dan ongeveer gelijk of iets meer zijn dan de Ganj-i-Saraj, mits het bedrag dat de Indische keizer noemt, klopt, maar zeker meer als de Engelse berekening de juiste is. Maar dat het de meest tot de verbeelding sprekende buit is, staat buiten kijf, en bovendien hebben Taylor en Levasseur er nauwelijks moeite voor hoeven te doen, omdat de Cabo door een storm al vleugellam was.

14. Zijn Daden Benne Groot

Piet Hein, zijn naam is klein, zijn daden benne groot… Niet iedereen zal het wat zeggen, maar ik heb het volksliedje als kind van mijn ouders geleerd. … Hij heeft gewonnen de Zilveren Vloot. En dat huzarenstukje volbrengt hij op 7 en 8 september 1627 in de Baai van Matanzas bij Cuba.

Dit is geen verhaal van grote moed of sluw manoeuvreren, maar één van wat geluk aan de ene zijde en incompetentie aan de andere. Maar vanwege de enorme impact op de Nederlandse geschiedenis vind ik dat het hier een plekje verdient.

Dat jaar is Piet Hein op weg naar West-Indië met de opdracht de zilvervloot te veroveren. Dat is precies wat de naam zegt: een enorme Spaanse vloot waarin jaarlijks het Amerikaanse zilver naar Spanje gebracht wordt.

Piet Hein is niet de enige illustere naam op deze vloot. Andere roemruchte aanwezigen zijn admiraal Lonck, viceadmiraal Banckert, schout-bij-nacht Melckmeyt en vlaggenkapitein Witte de With.

Spanje weet dat hij eraan komt. Dat is geen verrassing.

De zilvervloot bestaat uit twee vloten. De Tierre Firme-vloot komt van de kust van Panama, waar zilver uit Potosí wordt geladen, dat over land over de landengte is vervoerd. De Nueva España-vloot of St-Jacobsvloot komt van Mexico en Honduras. In Havana worden de vloten bijeengevoegd om samen naar Spanje te varen.

En dat is dus waar Piet Hein een hinderlaag legt en de vloot wil opwachten.

Op 8 augustus denkt de Spaanse commandant Juan de Benavides Bazán dat het veilig genoeg is om een uitbraak te wagen, omdat een andere Hollandse kapervloot huiswaarts gekeerd is.

Maar het zit Piet Hein niet mee. Ongunstige stromingen drijven hem steeds weer weg van Havana en na een paar weken begint hij te twijfelen of de vloot nog wel gaat komen. Net denkt hij erover om huiswaarts te keren, wanneer Witte de With op 29 augustus een bark onderschept, die naar de zilvervloot op weg is om het te waarschuwen. En dus laveert hij met grote moeite weer terug in positie, maar kan zich daar andermaal niet handhaven.

Op 7 september wordt hij versterkt en heeft nu 31 schepen. Hij besluit het nog twee dagen aan te zien en dan terug te keren. Gezien de datum waarop hij de zilvervloot weet in te nemen, is het dus bijna misgelopen. Als de Spanjaarden één of twee dagen langer gewacht hadden, zou Hein met lege handen hebben gestaan, want hij wil niet langer wachten vanwege het stormseizoen dat in aantocht is.

En nu speelt het lot een handje mee. De zilvervloot is op dat moment al door een orkaan uit elkaar geslagen en twee groepen schepen worden door de stroming voorbij Havana gesleurd recht in de handen van de eveneens afgedreven Hein.

In de nacht van 7 op 8 september botst de Nuestra Señora de la Concepción bijna tegen de Witte Leeuw aan en wordt ingenomen. Dat is alvast één. Als de dageraad het zeeoppervlak laat schitteren, zien de Hollanders nog 20 andere schepen.

Twaalf daarvan liggen in de lij van de Hollanders en negen daarvan, kleinere vrachtschepen, raken meteen in paniek en gooien het anker uit. Hein hoeft alleen maar een sloep met een tolk te sturen om een half uurtje op de Spanjaarden in te praten of ze geven zich zonder slag of stoot over. Dat zijn er alvast tien.

Maar er zijn ook vier grote galjoenen die aan de andere zijde liggen en afgesneden zijn, waaronder het vlaggenschip. In plaats van slag te leveren tegen deze overmacht besluit Benavidez om zich te verschansen in de Baai van Matanzas om zo het zilver veilig over land naar Havana te brengen.

Wat er daarna gebeurt, is een patroon dat ik vaak heb gezien bij het bestuderen van gevechten tussen Spanjaarden en piraten in die tijd. De Spanjaarden leggen een ongekende hoeveel klungelige incompetentie en ongemotiveerde lafheid aan de dag. Want eerst lopen de galjoenen vast op de modderbanken van de rede, zodat ze dus niet in de juiste verdedigende positie liggen om te kunnen vuren.

Daarop beginnen veel opvarenden zich onverwijld aan land in veiligheid te brengen en zelfs Benavidez zelf gaat aan wal. Naar eigen zeggen doet hij dit om de bemanning terug te halen en de overdracht van het zilver te regelen, maar in deze situatie had hij toch echt aan boord moeten blijven en andere officieren moeten sturen om dit te regelen. De waarheid is dat het moreel aan Spaanse kant eigenlijk al gebroken is voor er ook maar één schot gelost is.

Piet Hein besluit niet te talmen en beveelt onmiddellijk een sloepenaanval. Een paar musketsalvo’s later geeft de Spaanse bemanning, die de kanons niet vuurklaar heeft, zich al over. Het is dus nauwelijks een filmwaardige actie.

Nadat er nog twee kleinere schepen buitgemaakt zijn, komt het totaal op 16. Hein brengt er 11 tot zinken en neemt de rest, waaronder de galjoenen, op in zijn eigen vloot. Ze zijn immers onbeschadigd, omdat er geen enkel kanonschot gelost is.

Je zou denken dat Piet Hein reden had tot wraak nemen. Hij was vier jaar lang als galeislaaf aan de riemen geketend geweest onder de meest erbarmelijke omstandigheden. Hij had alle reden om Spanjaarden te haten. Maar dat doet hij niet. De Spaanse bemanning krijgt voldoende proviand mee voor een voettocht naar Havana en in vloeiend Spaans wijst Hein hun de weg.

Zonder een man of een schip te verliezen heeft Piet Hein een enorme schat buitgemaakt. Die bestaat uit 177.537 pond zilver, 135 pond goud, 1000 parels, 37,375 huiden, 361 kisten suiker (volgens andere bronnen 235), 7061 stukken blauwhout of Campechehout, en 2270 kisten of zakken indigo en 735 kisten of zakken cochenille, die een derde van de totale waarde vertegenwoordigen. Daarnaast zijn er kleiner hoeveelheden zijde, muskus, amber, bezoar, sieraden en andere luxegoederen, die echter deels door de Nederlandse bemanning achterovergedrukt worden. Bij thuiskomst worden ze wel gefouilleerd, zodat er nog wat boven water komt, maar in Engeland heeft een deel al de benen genomen, met zijn schatten.

In totaal bedraagt de buit 11.509.524 gulden, wat omgerekend nu bijna 128 miljoen euro zou zijn. Alle deelnemers krijgen zeventien maanden extra gage.

Maar de ware buit zit hem in andere zaken. Enerzijds heeft de nieuwe Republiek ineens heel veel geld. Daarmee kunnen niet alleen achterstallige salarissen van soldaten en de bouw van nieuwe oorlogsschepen worden bekostigd, maar het betaalt ook direct voor het Beleg van ‘s-Hertogenbosch. De inname van deze strategische Spaanse sleutelstad is een kantelpunt in de Tachtigjarige Oorlog.

Tegelijkertijd is Spanje helemaal financieel afhankelijk van de zilvervloot en door dit verlies is de staatskas meteen leeg, wat weer leidt tot muiterijen in het Spaanse leger, wanneer de soldaten niet betaald krijgen.

Verder geeft het de Republiek veel zelfvertrouwen en internationaal prestige, terwijl het omgekeerd de reputatie van Spanje als onoverwinnelijke grootmacht definitief schaadt. Nederland heeft zijn onafhankelijkheid dus voor een groot deel en misschien wel helemaal aan de inname van de zilvervloot te danken.

Spanje beseft dat ook heel goed, want Benavides wordt vanwege plichtsverzuim onthoofd en zijn viceadmiraal krijgt levenslang.

Overigens ben ik ook even gaan zoeken waarom de Spaanse soldaat en vooral matroos zo slecht gemotiveerd en weinig loyaal en patriottisch zijn in die tijd. Immers, tijdens de Reconquista vechten ze dapper en tijdens de Napoleontische Oorlogen zijn de soldaten niet best, maar de guerrilleros zeer effectief.

Er worden een aantal redenen gegeven, die te maken hebben met het feit dat Spanje dan eigenlijk al aan het instorten is.

  • Doordat Spanje regelmatig bankroet gaat, worden soldaten en matrozen soms maanden of jaren niet uitbetaald, wat leidt tot desertie en muiterij.
  • Manschappen worden slecht bevoorraad, waardoor ze vechten in lompen, met inferieure wapens en zonder fatsoenlijk eten.
  • Doordat de bevolking door o.a. ziektes ernstig is gekrompen, worden de gaten opgevuld door het ronselen van criminelen, zwervers, ongetrainde boeren en buitenlandse huurlingen.
  • Er is geen diepgewortelde maritieme cultuur.
  • Door geldgebrek liggen schepen vaak jarenlang stil in de havens, waardoor matrozen vrijwel geen praktijkopleiding op zee krijgen.
  • Officiersposten bij de marine worden niet vergeven op basis van talent, maar worden gekocht door edellieden uit het binnenland.
  • Spanje houdt vast aan oude tradities, terwijl de vijand innoveert.
  • Spanje vecht la decennialang op veel fronten tegelijk, waardoor soldaten moreel uitgeput zijn, omdat ze vinden dat ze voor een uitzichtloze zaak van een falende monarchie strijden.

Is dit de enige keer dat de Zilvervloot het slachtoffer is? Nee, natuurlijk niet. Zulke prijzen trekken rovers aan. Twee zijn het noemen meer dan waard.

Op 1 maart 1579 krijgt de beroemde kapitein Francis Drake in het even beroemde schip Golden Hind te horen dat de Nuestra Señora de la Concepción in de buurt is en hij besluit zijn kans te nemen. Dit schip heeft een heerlijke bijnaam: Cacafuego of Vuurschijter.

Omdat het midden op de dag is en hij geen achterdocht wil wekken door zeil in te nemen, gooit hij wat wijntonnen achter het schip om zodoende vaart te minderen tot de nacht zou vallen. Hij doet zich vervolgens voor als koopman en in de vroege avond komt hij langszij de Spanjaard. Als die zich weigert over te geven, geeft hij het de volle laag.

Dit salvo haalt meteen al de bezaansmast neer, daarna laat Drake schieten met musketten en kruisbogen en voor de Spanjaarden weten wat er gebeurt (die in de Grote Oceaan geen Engelsen verwachten), laat hij enteren. En met nauwelijks tegenstand neemt hij het schip in.

De buiten bedraagt onder andere 80 pond goud, 13 kisten zilverwerk en juwelen en meer dan 26 ton zilver. Er zijn zes dagen nodig om de buit over te laden. Daarna laat hij de gevangenen gaan met een geschenk en een vrijbrief. Bij terugkomst in Engeland wordt Drake geridderd.

Een ander beroemd geval, maar dit keer van de Portugese zilvervloot, is in 1719, wanneer de befaamde piraat Bartholomew ‘Black Bart’ Roberts een ongekend staaltje koudbloedigheid vertoont. Als hij een vloot van 42 schepen in een baai ziet, wachtend op hun escorte, twee enorme oorlogsschepen, hijst hij eenvoudig een Portugese vlag en voegt zich bij hen.

Wanneer de nacht valt, entert hij stilletjes één van de schepen aan de rand van deze vloot en ondervraagt de kapitein. Die wijst hem het rijkste schip in het konvooi aan, de Sagrada Familia, met veertig kanons en 170 man aan boord.

Roberts zeilt dan in de ochtend zijn schip daarheen en entert het met een ongekende felheid. Met weinig moeite wordt het schip ingenomen en zeilt hij met zijn prijs weg. De te zware oorlogsschepen hebben het nakijken. De buit is ongekend: 40.000 gouden moidores (munten), veel suiker, tabak, bont en juwelen, en een met diamanten bezet gouden kruis dat speciaal voor de koning bestemd is.

13. Blufpoker

 Kapitein Cochrane is zeer creatief met het bedenken van listen. Het is niet ongewoon voor schepen om zich anders voor te doen, bijvoorbeeld door andere vlaggen, masten in te korten, geschutspoorten te schilderen die er niet zijn, het schip een ander verfje te geven en dergelijke. Op alle mogelijke manieren probeert men de ander te misleiden, iets wat in die tijd gewoon geoorloofd is, zolang je vóór het eerste schot maar duidelijk maakt wie je werkelijk bent. Dat kan vlak van tevoren, zodat het feitelijk niet uitgemaakt zou hebben of je het wel of niet doet.

Men sleept soms een groot stuk hout achter zich aan, zodat de vijand denkt dat je trager bent dan je bent. Of men laat tonnen en stukken hout te water in de hoop dat de vijand denkt dat je vergaan bent. En zo zijn er nog heel wat andere trucs te bedenken.

Maar Cochrane heeft een heel arsenaal.

Op 21 december 1800 ziet hij voor de kust van Spanje een Spaanse koopvaarder voor anker liggen en hij zeilt erheen in de hoop dat hij het kan innemen. Maar zodra hij nadert, vliegen de geschutspoorten open en worden de kanons uitgerold.

Maar Cochrane heeft zijn voorbereidingen getroffen, omdat hij weet dat hij gezocht wordt. En dus heeft hij zijn schip laten schilderen alsof hij Deens is en hijst nu ook een Deense vlag. De Spanjaarden vallen echter niet meteen voor deze truc en sturen een boot met een enterploeg.

Nu laat Cochrane zijn kwartiermeester opdraven, die Deens is, in het uniform van een Deense kapitein, terwijl hij ook de gele vlag laat hijsen, het teken dat een schip vanwege besmettelijke ziekte in quarantaine is. En de Spanjaarden weten niet hoe snel ze rechtsomkeert moeten maken.

Op 19 maart 1801 dreigt Cochrane weer het haasje te zijn, wanneer hij achtervolgd wordt door een sneller, groter schip. Hij laat alle lichten doven op één in zijn kajuit na, die hij af en toe laat flikkeren. Zo hebben de Spanjaarden iets om te volgen en raken ze gewend aan het deinende licht. Daarop laat hij een lantaarn op een ton plaatsen, die achter het schip aangesleept wordt. En zodra het moment rijp is, wordt het ene licht gedoofd en het andere aangestoken, waarna de ton los gekapt wordt.

De Spanjaard moet vreemd opgekeken hebben, wanneer ze bij dageraad slechts een lege zee met een enkele ton aantreffen. Deze truc is ook gebruikt in de boeken over kapiteins Hornblower en Aubrey.

12. Wie wind zaait, zal storm oogsten

 Het is 20 november 1759. En in een vliegende westerstorm probeert de Franse vloot uit de Engelse blokkade te breken om Schotland binnen te vallen.

En dan gebeurt datgene wat je niet meer verwacht had: je ziet de grimmige silhouetten in de neerstromende regen van de Engelse vloot, die zich eerder vanwege de storm terug had moeten trekken.

Wat te doen? Vechten in de hoge, woeste golven in een ongunstige positie? Of vluchten naar een defensieve positie in een baai, waar de Engelsen vast niet durven te volgen?

Het wordt het laatste. En waarom niet? De Baie de Quiberon is een kerkhof van niet in kaart gebrachte, verborgen zandbanken, grillige, scherpe klippen en gierende wind. In dit doolhof kunnen ze vast wegkomen, want de nacht is niet ver weg meer.

Maar daar heeft sir Edward Hawke geen boodschap aan en hij zet met volle zeilen de achtervolging in. Naar de hel met die zandbanken en klippen! Daar is de Fransman en hij zal ze naar de bodem van de zee schieten, storm of geen storm.

In een kolkende, zwarte zee en een stormachtige nacht, terwijl de wind door de tuigage giert en de stuurman hulp nodig heeft om het stuurwiel vast te houden, wordt een gruwelijke, chaotische strijd uitgevochten, zonder tactiek, waarin iedereen elkaar de hersens inslaat zonder regels, waarbij de zee de grote speler is.

Schepen botsen tegen elkaar en slaan stuk. Andere lopen aan de grond. Eén Frans schip wendt de steven, maar vergeet de geschutspoorten dicht te doen, zodat het kapseist, met slechts 22 man die de ijskoude golven overleven.  Twee Engelse schepen klappen op de riffen.

Sommige Fransen gooien alles overboord, zodat ze weg kunnen glippen over de zandbanken, andere hebben in de duisternis geen idee dat ze binnen de Britse linies geankerd zijn. De pikzwarte nacht wordt dooraderd met vuurmonden en de gierende wind overstemd door donderende kanonnen.

Wanneer de dageraad opkomt, wordt de lucht vuurrood geschilderd door de schepen die in brand gezet zijn, zodat ze niet in handen van de vijand zouden vallen. Maar de Franse vloot is vernietigd. Van de 21 linieschepen zijn er één ingenomen, twee gezonken, twee door de eigen bemanning tot zinken gebracht en twee een wrak. Meer dan 2500 Franse matrozen zijn dood.

Aan Engelse zijde zijn er maar 300 doden of gewonden en twee schepen verloren gegaan.

Hawke heeft Engeland gered.

Althans, voor even…

11. Arrogante overmoed?

Een enorme Spaanse vloot van 53 oorlogsschepen doemt op aan de zonnige horizon bij de Azoren bij het eiland Flores. De schrik slaat de Engelse admiraal om het hart. De helft van zijn manschappen is ziek en zijn veel kleinere vloot maakt geen schijn van kans in deze meer dan 2:1 overmacht. Hij besluit zeil te zetten en zo snel mogelijk weg te varen nu het nog kan.

Maar één schip blijft achter. De Revenge met 46 kanons, waarvan 20 zware op het geschutsdek, onder bevel van viceadmiraal Sir Richard Grenville, ziet de rest van de vloot aan de einder verdwijnen, de witte zeilen als wolkjes boven de horizon. De reden is niet 100% met zekerheid te zeggen, maar alle verhalen beweren dat de ijzervreter Grenville, die de Spanjaarden tot op het bot haat, niet van plan is zijn 80-90 zieken op het eiland achter te laten, waar ze mogelijk in de klauwen van de Inquisitie zullen vallen of op de galeien eindigen.

Wat de reden ook is, hij is te laat en wanneer hij na het inladen van zijn zieken eindelijk weg kan varen, zit hij al in de val.

Of is dat wel zo? Er zijn duidelijke aanwijzingen dat hij nog weg had kunnen glippen door om het eiland heen te varen, weg van de Engelse vloot, maar dat hij besluit recht zo die gaat achter zijn kameraden aan te zeilen uit koppige trots en arrogante overmoed.

Het zou kunnen. Grenville is een heethoofdig mannetje. Hij is een tiran voor zijn manschappen en gehaat. Hij zegt hardop dat hij nog liever zou sterven dan een Spanjaard de rug toe te keren. En hij heeft gevochten tegen de Armada en denkt misschien daardoor dat de Spaanse vloot niet veel voorstelt en dat ‘England rules the waves’. Wellicht is het bluf. Misschien hoopt hij zo de rest van de Engelse vloot tijd te kunnen geven en achtervolging op te houden. Of wellicht denkt hij zelfs wel hulp te krijgen.

Maar wat de reden ook is, hij besluit met zijn enkele schip recht in de armen van een Spaanse vloot van 53 schepen te varen, met 80-90 van zijn ongeveer 190 mannen te ziek om te vechten, terwijl de vloot hem de wind uit de zeilen neemt.

Vijftien uur lang vecht de Revenge voor haar leven, van de avond van de 31e augustus tot de ochtend van de 1e september, terwijl hun aantallen afnemen, hun kruit opraakt en hun schip tot brandhout wordt geschoten. Vijftien uur vechten ze heroïsch tot ze niet meer kunnen, tegen aanval na aanval na aanval van vaak meerdere schepen tegelijk.

De San Felipe, een machtige driedekker met 74-78 stukken, die een volle laag van 33 schoten tegelijk kan afvuren, valt de Revenge eerst aan. De Spaanse tactiek is zo snel mogelijk enteren, zodat de Engelsen geen voordeel van het grote bereik van hun kanons hebben (en ja het is kanons als je over zeegeschut spreekt, maar kanonnen bij landgeschut). Dapper schiet de Revenge terug en heeft het geluk dat de enterhaak loskomt, nadat er pas tien Spanjaarden geënterd hebben.

De San Barnabé, een patache met 9 stukken, komt zijn maatje te hulp en weet wel succesvol te enteren en de overlevenden van de vorige tien enteraars te redden. De Engelse kanonniers moeten hun post verlaten om te helpen deze aanval af te slaan, zo wanhopig is het gevecht.

Als de schemering over het water van de Azoren begint te vallen, zijn er nog maar 60 man over, nadat er al 40 gesneuveld of te zwaar gewond zijn, nadat ze deze aanval ook hebben gepareerd. Maar Grenville is ook gewond. Hij is in zijn lijf en hoofd geraakt en terwijl de chirurgijn hem aan het verbinden was, sneuvelt die ook.

Dan ramt de San Cristóbal, een galjoen met 26 stukken, de Revenge onder de kampanje, waarbij het de eigen boeg verwoest, en de Revenge zit nu aan beide zijden vast aan een Spanjaard, met als enige voordeel dat de rest van de Spaanse vloot niet meer vuren kan uit angst ook de eigen schepen te raken. De Spaanse enterploeg weet de vlag te veroveren en komen tot de grote mast, maar wordt door pure koppige heldenmoed toch weer teruggedreven.

De hele nacht gaat het gevecht door. Het galjoen Asunción en de vlieboot La Serena vallen hem ook aan, die hij ook van zich af weet te houden. In het donker botsen die tegen elkaar en zinken.

De dageraad laat een schrikbarend beeld zien. De Revenge is zwaar beschadigd. Alle drie de masten zijn weggeschoten. Alles op het dek, inclusief de beide kastelen, zijn weg, zodat het schip nog slechts een romp is gevuld met bloed, lijken en gewonden als een slachthuis. Ze hebben drie gaten in de romp onder de waterlinie en in het ruim staat zes voet (ongeveer 1.80) water. Het buskruit is op, alle pieken zijn gebroken. Er zijn nog maar 16-20 man in staat om te vechten; de rest is ziek, dood of zwaargewond. Grenville is stervende.

Grenville weet dat het zinloos is. Hij heeft alles gegeven, zijn mannen hebben alles gegeven, zijn schip heeft alles gegeven. Hij geeft opdracht het schip te laten zinken. Maar twee van zijn officieren weigeren. Het schip is toch al zinkende, zo pleiten ze, waarom zouden wij dan mee ten onder moeten gaan? De overlevenden geven zich over.

Grenville wordt aan boord van het Spaanse vlaggenschip gebracht, waar hij sterft. Volgens overlevering zouden zijn laatste woorden geweest zijn: “Here die I, Richard Grenville, with a joyful and quiet mind, for that I have ended my life as a true soldier ought to do, that hath fought for his country, Queen, religion and honour, whereby my soul willingly departeth from this body.” Maar of dat waar is, blijft de vraag.

Maar het kan nog erger. De Revenge en de gevangen Engelsen worden als prijs weggezeild, maar de Spaanse vloot komt al spoedig in een storm, waarbij veel schepen vergaan, waaronder de Revenge, wat gezien de staat van het schip niet zo verwonderlijk is. De Spaanse prijsbemanning komt jammerlijk om in de golven met de gevangenen. Geen van Grenvilles mannen heeft zijn overmoedige hanigheid overleefd.

10. IJskoud de beste

We weten allemaal dat de Titanic tegen een ijsberg voer. Maar dat is bij lange na niet het enige schip die dit overkomt.

Luitenant Edward Riou is op weg naar Australië met 88 bemanningsleden, 25 veroordeelden voor de strafkolonie en 10 burgers (passagiers en opzichters). Ergens in de zuidelijke Pacifische Oceaan, zo’n 2000 km van Kaap de Goede Hoop, ziet hij een ijsberg en besluit dat er meer water nodig is voor het vee aan boord. Hij zet een roeiboot in het water en die avond om 7 uur, kerstavond 24 december 1789, komen ze terug met blokken ijs. So far so good.

Maar dan slaat het noodlot toe. Plotseling steekt er een dichte mist op, zodat Riou niet eens het einde van zijn schip meer kan zien. De wind en de zeestroming veranderen ook ineens. En dan botst het schip op het onzichtbare deel van de ijsberg onder water. Een enorme schok gaat door het schip en ik kan me voorstellen dat het onheilspellend gekreund en gekraakt heeft.

Tot drie keer komt het schip in aanvaring met het ijs en met het roer weggeslagen en veel van de kiel verwoest, stroomt het water snel binnen. Er breekt paniek uit en Riou moet snel handelen willen ze niet allemaal in de ijskoude golven omkomen. Het is letterlijk pompen of verzuipen.

Alle mannen worden aan de pompen gezet, ook de gevangenen, die uit hun gevangenissen gehaald worden om te helpen. Om tien uur die avond is het eigenlijk al duidelijk dat ze het niet zullen redden. Om het schip lichter te maken wordt alle onnodige ballast overboord gegooid, waaronder ook de arme dieren. De hele nacht vechten ze in de vriezende kou en een steeds hardere wind en woestere zee om het schip drijvende te houden, tot de mannen uitgeput over de pompen hangen. Ze liggen op een gegeven moment zo diep in het water, dat golven over het dek slaan en dreigen via de luiken in het ruim te lopen.

De volgende ochtend besluit hij dat hij het schip moet evacueren. Alleen: er zijn niet genoeg sloepen voor iedereen. Eén sloep vergaat al meteen, zodra het uitgezet wordt, de andere vier vertrekken met zestig man. Drie daarvan worden nooit meer teruggezien, de vijfde wordt na negen dagen met vijftien overlevenden gered. Maar Riou blijft achter met 62 anderen, onder wie 21 veroordeelden.

Riou is geen beginneling. Ook al is hij pas 27, op zijn 13e is hij al meegegaan op Cooks derde reis. En die ervaring betaalt zich uit. En een beetje geluk. Want tot ieders verbazing verdwijnt de HMS Guardian niet in de golven, maar blijft drijven, deels ook door de lading vaten in het ruim, die als zwemgordel dienen, en doordat de meeste ballast door een scheur in de scheepshuid in de diepte van de zee verdwenen is. Voor de rest komt de redding op conto van Riou.

Eerst probeert hij iets wat in het Engels fothering heet en wij het beleggen van een lek noemen. Zo’n lekzeil of wrijzeil wordt ’thrummed’ of geruwd, door er plukken kabelgaren in te rijgen, wat dan gevet of geteerd kan worden, waarna het als een soort luier onder het schip doorgetrokken wordt. Doordat het zich vastzuigt, helpt het gaten te stoppen. Dit zien we goed in beeld gebracht terug in één van de afleveringen van de serie Hornblower.

Het wordt een zware reis, koud, nat en zwaar. Ze zwoegen dag en nacht aan de pompen, ze vechten en worstelen voor wat ze waard zijn. Maar na negen weken ploeteren zijn ze terug bij Kaap de Goede Hoop op 21 februari. Riou heeft tijdens die weken niemand verloren en het is één van de grootste overlevingsfeiten in de maritieme geschiedenis.

De veroordeelden worden nu op een ander schip gezet naar Australië, maar Riou wil dat ze gepardonneerd worden voor hun inspanningen, zonder welks het schip verloren zou zijn geweest. Wanneer die aanbeveling in de strafkolonie aankomt, is er één al gehangen voor stelen en zes anderen hebben al andere misdaden begaan, maar de veertien anderen krijgen een pardon.

En Riou… die sneuvelt later onder Nelson bij Kopenhagen.

9. David tegen Goliath

Het is een mooie meidageraad in 1801, wanneer de al eerdergenoemde ‘commander’ (kapitein-luitenant-ter-zee) Thomas Cochrane, een roodharige, 1,88 meter lange reus van een Schot, in zijn brig HMS Speedy voor de kust van Barcelona dobbert.

Het is een klein schip met maar 14 stukken van 4 pond. Het merendeel van de bemanning is afwezig op een prijs, dus er zijn maar 54 matrozen aan boord. Het is 6 mei, wanneer de agressieve Cochrane de Spaanse xebec-fregat El Gamo in het oog krijgt.

Dit is een veel groter schip, een mastodont vergeleken bij de Speedy. Het heeft 32 zware stukken (8 en 12 pond en carronades van 24 pond), dus een volle laag van dit schip is maar liefst 190 pond en dat is ruim 7x meer dan wat de Speedy uit kan braken. Bovendien zit het volgepakt met 319 man.

Een verstandig man zou de steven wenden en er snel vandoor gaan. Maar niet de ongemakkelijke Cochrane, die met iedereen overhooplag. Die vlucht nooit. In plaats daarvan beveelt hij zijn roerganger de vijand te naderen. Voor de duivel niet bang heeft hij al een plan met een heel arsenaal aan listen klaar.

Om 9:30 vuurt El Gamo een waarschuwingsschot en hijst de Spaanse kleuren. Daarop laat Cochrane de Amerikaanse vlag hijsen. De Spanjaard twijfelt nu en laat onverstandigerwijs het andere schip dichterbij komen. Dat is precies wat Cochrane wil, want in een vuurgevecht op afstand maakt hij met zijn lichte kanons geen enkele kans. Meter voor meter kruipt hij dichterbij en hijst dan pas de Engelse kleuren.

De Spanjaard beseft zijn fout en vuurt een volle laag af. Cochrane weet die te ontwijken. Kapitein Francisco de Torres laat een tweede volle laag donderen, maar ook die weet Cochrane te ontlopen. Dan is hij langszij en klampt aan. Voor de niet-zeelui onder ons: dat betekent dat hij zijn ra’s zich laat vasthaken in de tuigage van de vijand, zodat ze vastzitten. Hierdoor is de fregat kansloos. Het kan zijn stukken niet laag genoeg declineren om de kleine romp van de brig te raken en de schoten gaan door de zeilen en de tuigage.

De mannen achter de Engelse stukken wachten zwetend en gespannen af, de oren tegen het kabaal met doeken verbonden, zodat ze niet zullen bloeden. Elke loop is dubbel geladen of zelfs drievoudig. Dan komt het commando. Vuur! Het schip schudt en het salvo gaat door de huid en dekken van de Spanjaard. Al bij de eerste Engelse volle laag komen kapitein De Torres en zijn bootsman om.

Vertrouwend op zijn overmacht organiseert de Spaanse plaatsvervangend commandant nu een enterploeg, waarop Cochrane iets afstand neemt en zijn kanons en musketten laat vuren in de samengepakte mannen, waarop hij meteen weer de afstand verkleint.

Als drie enterpogingen bloedig mislukken, probeert de Spanjaard het vrij zinloos weer met zijn stukken. En Cochrane neemt een gewaagde gok. Hij laat zijn chirurgijn als enige man achter op het schip aan het roer en verdeelt al zijn mannen in twee enterploegen. Eerst entert de eerste ploeg van twintig matrozen onder Cochranes broer over de boeg, maar niet voordat ze hun gezichten zwart gesmeerd hebben, zodat het lijkt alsof ze gevreesde Barbarijse kapers zijn. Als de Spanjaarden naar de boeg snellen om het gevaar af te wenden, leidt Cochrane de tweede ploeg over de achtersteven.

Het wordt een bloedig gevecht. In wederom een sluwe list roept Cochrane naar zijn chirurgijn aan het roer om de rest van de bemanning te sturen. Er is alleen geen rest… Maar dat weet de Spanjaard niet. Als dan een matroos de Spaanse vlag neerhaalt, denken de matrozen dat hun commandant zich overgegeven heeft en stoppen met vechten.

Met slechts drie doden en negen gewonden heeft Cochrane een superieur fregat buitgemaakt. Op het Spaanse dek liggen veertien man dood en zijn er eenenveertig gewonden. Alle overlevenden worden krijgsgevangen gemaakt.

Beschaamd en bang voor zijn eer smeekt de Spaanse commandant of Cochrane een certificaat op wil stellen dat hij dapper heeft gevochten en er echt alles aan gedaan heeft. Cochrane is de kwaaiste niet en doet dat. Maar één van de zinnen leest “he conducted himself like a true Spaniard”. Dat lijkt niet veel te zeggen, maar tijdens de Franse Revolutieoorlogen stonden de Spanjaarden niet bepaald als dapper bekend.

Helaas houden Cochrane en de dappere matrozen er weinig prijzengeld aan over, want de admiraliteit weigert het schip te kopen. Maar het levert hem wel een promotie naar kapitein op.

Overigens is de hierboven al genoemde roman Master and Commander van O’Brien hierop gebaseerd.

8. Ik ben nog niet eens met vechten begonnen

We kunnen niet Amerika overslaan. En zeg je vloot + zeilschip + USA, dan zeg je John Paul Jones.

John Paul Jones is Amerika’s grootste zeeheld, maar hij is geen gemakkelijk mannetje. Hij is dapper en vastberaden, maar ook trots en ambitieus, charmant, maar tevens ongeduldig en snel aangebrand. Dat geldt trouwens voor wel meer beroemde zeekapiteins… Comes with the territory, denk ik.

En zijn meest beroemde feit is de Slag van Flamborough Head op 23 september 1779.

De Bonhomme Richard heeft 40 stukken en op papier is dat niet slecht, maar het schip is rottend en in slechte staat. Het is een oude, Franse Oost-Indiëvaarder, die omgebouwd is tot oorlogsschip.

En die septemberavond treft zijn kleine eskader een groot Engels koopvaardijkonvooi beschermd door de sloep Countess of Scarborough en het gloednieuwe, snelle, zwaarbewapende fregat HMS Serapis met 44 kanons, waaronder moderne 18-ponders, onder kapitein Pearson.

Terwijl de schemering langzaam in de nacht overgaat en de volle maan opkomt, praait Serapis de Bonhomme Richard om 19:00. En wanneer er ontwijkende antwoorden komen, neemt de Engelsman geen risico en beide schepen pompen een oorverdovende volle laag van dichtbij in elkaars romp.

Jones heeft ook drie 18-ponders en heeft die op het geschutsdek geplaatst voor extra vuurkracht, maar twee ontploffen al bij het eerste salvo en nemen hun bemanning mee de ondergang in. De Bonhomme Richard maakt geen kans en de Serapis scheurt de romp open en blaast de oude kanons aan diggelen. Met meerdere schoten onder de waterlinie begint de Amerikaan over te hellen. Het gevecht lijkt met één salvo al voorbij.

Maar niet voor John Paul Jones. Hij zou verduiveld zijn als hij nu al opgeeft! En als hij het dan niet met kanonvuur kan winnen, dan maar anders! Hij stuurt zijn kreupele schip recht op de Engelsman af tot hun touwwerk zich verstrengelt en de Engelse kluiverboom vast komt in het want van de bezaansmast. Jones helpt gedreven zelf een handje mee om de twee schepen met zware ankerkabels vast te sjorren.

Pearson moet zijn hoofd geschud hebben over zo’n onzinnige actie en roept door de verstikkende rook of Jones bereid is zich over te geven. En daarop kwam diens beroemde antwoord: “I have not yet begun to fight!”

In een bittere omhelzing braken de schepen hun volle lagen in elkaar, terwijl matrozen en mariniers met musketten en granaten proberen het vijandelijke dek schoon te vegen. Uiteindelijk weten de Amerikaanse scherpschutters in de wanten de bovenste dekken van de Serapis vrij te maken; iedereen die nog leeft, heeft beschutting benedendeks gezocht.

Het tij lijkt te keren, tot USS Alliance een enorme stommiteit begaat. Kapitein Landais vaart langs en vuurt een volle laag… die niet alleen Serapis treft, maar ook zijn maatje Bonhomme Richard! Daar breken her en der vuren uit en langzaam loopt het schip vol.

En dan is het geluk met de domme… of de dappere. Het is maar hoe je het bekijkt. Een Amerikaanse matroos kruipt naar de top van een ra en gooit een granaat in het dekluik van Serapis

Om sneller te kunnen vuren, hebben de ‘powder monkeys’ op het Engelse schip de veiligheidsprotocollen aan hun laars gelapt en rijen kruitpatronen direct in het midden van het dek geplaatst in plaats van ze één voor één uit het veilige magazijn te halen. De granaat raakt het luikhoofd, caramboleert en valt door tot het lagergelegen dek, waar het gemorste kruit tot ontploffing komt.

Dat zet een kettingreactie in gang. De rijen patronen vliegen nu als Domino D-Day in de lucht. De explosie is zo krachtig, dat het stukken van het bovengelegen dek wegblaast, het hele lagere geschutsdek buiten dienst stelt, meer dan 20 matrozen doodt en tientallen verwondt. Later merkt een Amerikaanse luitenant op dat de overlevenden bedekt waren met wijdverspreide steekvlamverbrandingen.

Pearson is in shock. En hij geeft zich over. Om 22:30 is het gevecht gedaan.

Twee dagen later zinkt de Bonhomme Richard.

7. In het hol van de leeuw

De Nederlanden hebben een flinke hoeveelheid zeehelden en van hen is Michiel de Ruijter misschien wel de grootste. En hij slaagt erin om – samen met anderen – Engeland tot op het bot te vernederen en de grootste dreiging te vormen sinds Willem de Veroveraar en de Armada. We hebben het natuurlijk over de Tocht naar Chatham (Raid on the Medway in Engels) van 19 tot 24 juni 1667.

Ik heb in gesprekken met Engelsen gemerkt dat dit stukje geschiedenis maar bij weinigen bekend is. Blijkbaar wordt het liever verzwegen? In ieder geval hebben Engelse historici het verhaal behoorlijk in hun voordeel verdraaid.

Het bevel over de vloot ligt bij De Ruijter, Willem van Ghent heeft de operationele voorbereiding gedaan en is verantwoordelijk voor de amfibische landing en Cornelis de Witt is mee om in naam van de regering toezicht te houden, omdat men vreest dat de admiraals en kapiteins de orders niet op zullen willen volgen, aangezien er gerede twijfel is over de uitvoerbaarheid. Het is dan ook een ongekend huzarenstukje.

De situatie is dat door geldgebrek de Engelse vloot gereduceerd moest worden en dat de zwaarste, en dus duurste schepen zijn opgelegd in de dokken van Chatham. Van veel schepen is de bemanning ontslagen, wat er nog over is, is net als de garnizoenen, vaak al maanden of zelfs langer niet betaald. Spionnen hebben gewaarschuwd, maar die waarschuwingen zijn niet serieus genomen en in de wind geslagen.

En omdat koning Charles de vredesonderhandeling rekt in de hoop Frankrijk erbij te betrekken, besluit de Republiek dat dit hét moment is om toe te slaan, zodat de oorlog gunstig beëindigd kan worden. Daarnaast zou het een mooie wraak zijn voor de Engelse aanval op de Vlie een jaar eerder (Holmes’s Bonfire), waarbij 150 koopvaardijschepen in brand gestoken zijn.

De Nederlandse vloot bestaat uit 62 zware oorlogsschepen, 15 wendbare lichte schepen die minder diep in het water liggen, 12 branders, 17.500 manschappen, onder wie 1000 soldaten, voornamelijk mariniers. Dit korps is net opgericht en een Nederlandse ‘uitvinding’. En… Nederland heeft twee loodsen die de ondiepten van de Theems goed kennen, een Calvinistische dissident en een voor justitie gevluchte smokkelaar.

De vloot had groter kunnen zijn, als de Zeeuwse en Friese eskaders op tijd geweest waren, maar omdat ronselen in de Republiek verboden is, hadden die problemen met het werven van matrozen. En zo vertrekt ‘Bestevaêr’ De Ruijter dus op 4 juni met drie eskaders.

Op 6 juni trekt de mist op en ziet men in Engeland de zee van witte zeilen opdoemen aan de monding van de Theems als waren ze Vikingen die uit het niets op het land vielen.

Het begin is niet veelbelovend. Eerst probeert men een Engelse handelsvloot van een stuk of 20 schepen, die in de Theems voor anker ligt, te overmeesteren, maar die weten op tijd te vluchten.

Op 9 juni vaart het eskader van Van Ghent de Medway op naar Chatham, waar de marinebasis is en nu pas worden de Engelsen wakker. Maar eigenlijk is het al te laat voor een echte verdediging, want Engeland is volledig onvoorbereid. En ook nu worden er geen daadkrachtige maatregelen genomen en lijkt men verlamd.

De werkelijke actie begint op 10 juni, wanneer de Nederlanders het onvoltooide fort bij Sheerness onder vuur nemen, dat mager verdedigd wordt. Als de mariniers aan wal gaan, vlucht het garnizoen zonder enige tegenstand. Het fort wordt ingenomen en verwoest en tot de verbazing van de Engelsen, betalen de Hollanders keurig voor hun voedsel.

Dat is ook een duidelijke order. Ze willen zich duidelijk de betere tonen in tegenstelling tot de plunderende Engelsen op Terschelling. Slechts de bemanning van één schip houdt zich niet aan de order en hun kapitein weet later alleen onder de ernstige straf uit te komen door zich als vrijwilliger te melden voor een gevaarlijke klus.

Dus er wordt niet geplunderd? Jawel. Enkele stadjes vallen hier ten prooi aan… door de Engelse troepen zelf!

Het volgende obstakel is de beruchte ketting over de Theems. Dit monster heeft schakels van 6 duim dik, maar door het enorme gewicht ligt het maar liefst 9 voet onder de waterlijn, wat voor de lichtere Hollandse schepen geen probleem vormt.

Pas die middag krijgt de Engelse admiraal Monck de opdracht naar Chatham te gaan en de zaak ter hand te nemen. Ongelooflijk, nietwaar? Als hij daar aankomt, verwacht hij dat alles in gereedheid is voor de verdediging, maar de schrik slaat hem om het hart als het een puinhoop blijkt te zijn. Er zijn nog maar 12 van de 800 doklui aanwezig en die zijn in paniek. Er zijn nog maar 10 van de 30 sloepen, want de rest is gebruikt voor de evacuatie van bezit van hoge ambtenaren. Er is geen buskruit of ammunitie. Er er zijn geen batterijen bij de ketting opgesteld.

Zo snel hij kan laat hij batterijen opstellen, wat een dag kost, en vier enorme schepen (waarvan twee ooit de VOC behoorden) in de hoofd- en nevengeulen voor de ketting zinken. Achter de ketting liggen nog eens drie schepen (waarvan ook twee oorspronkelijk Nederlands) om op de vijand te kunnen vuren. Op 11 juni laat hij meer schepen afzinken, maar die avond al hebben de eerste Nederlandse fregatten wat wrakken weggesleept en een vaargeul vrijgemaakt. Langzaam, vanwege de ondiepten en het getij, rukken ze op naar Londen, hoewel de grotere schepen moesten achterblijven vanwege hun diepgang.

Op 12 juni wordt de ketting geslecht. Die wordt niet gebroken, zoals de populaire mening is in Nederland, maar er gaan troepen aan land, die met hamers de bouten breken, waarna de ketting losgemaakt wordt. De Nederlandse vloot valt elk vijandig schip binnen bereik aan en vernietigt er twee en maakt de HMS Unity buit. Een bijzonder lichtgebouwd schip, voorafgegaan door twee branders, neemt vrijwillig de taak op zich om als eerste over de ketting te varen (herinner je nog de kapitein die zich vrijwillig had opgegeven), en met lichte verliezen wordt de blokkade genomen. De wat verder gelegen HMS Royal Charles, een ander vlaggenschip, wordt ook zonder gevecht buitgemaakt en meegesleept, iets wat niet nodig was geweest, want al in maart waren er orders geweest het te verplaatsen, welke orders genegeerd zijn.

De Engelse admiraal Monck krijgt de crisis. Hij beveelt alle 16 oorlogsschepen in de rivier tot zinken te brengen voor ze in handen van de vijand vallen. De bevolking raakt in paniek, de elite ontvlucht Londen, de Engelse officieren geven allemaal tegenstrijdige orders nu er geen echte leiding is. Het is totale chaos. De beroemde Nederlandse uitdrukking “Het volk was redeloos, de regering radeloos, het land reddeloos”, dat slaat op het Rampjaar 1672, is perfect van toepassing op de situatie in Engeland op dat moment. Nou ja, het land is misschien niet helemaal reddeloos, maar het scenario verloopt voor de Hollanders in ieder geval bijzonder gunstig.

Op 13 juni komen ze dan in Chatham. Het vuur van Upnor Castle kan weinig uithalen en met branders worden enkele van de beste schepen verbrand, ook al zijn die reeds tot het laagste kanondek afgezonken. Hieronder vallen de enorme schepen HMS Royal James met 82 stukken, de nieuwe HMS Loyal London met 80 en de HMS Royal Oak met 76.

Nu pas beveelt Monck admiraal Prins Rupert om de verdediging bij Woolwich te organiseren.

Een dag later willen de Nederlanders zeker weten dat geen schip het overleeft en De Ruijter stuurt een enkele roeiboot naar de dokken, die onder vuur erin slaagt nog eens drie linieschepen tot de waterlijn af te branden.

En nu? Het oorspronkelijke plan was om door te varen voor de dokwerken en scheepswerven, wat de ramp compleet gemaakt zou hebben, maar De Witt geeft toe dat dit te gevaarlijk en ondoenlijk wordt en met de HMS Unity en de HMS Royal Charles poetsen ze de plaat. Ondanks het getij weten ze die laatste mee te slepen, door het over te laten hellen, waardoor de diepgang minder wordt. Terwijl onder gejuich de vlag wordt neergehaald, spelen trompetteraars het dubbelzinnige lied Joan’s placket is torn om de vijand te bespotten.

De Ruijter heeft naar schatting 50-150 man verloren en 8 branders, maar die laatste waren natuurlijk ingecalculeerd. Maar de Engelsen hebben 400 slachtoffers. Van hun vloot hebben ze zelf 30 schepen laten zinken en zijn er door de vijand 3 grote en 10 kleinere verwoest, terwijl er 2 vlaggenschepen in triomf meegevoerd zijn. Het is het grootste verlies voor de Engelse marine ooit en dat nadat het land ook al geteisterd was door de pest en de brand in London en een dreigend bankroet. Koning Charles kan niets anders dan al op 31 juli de vrede te tekenen.

En de Royal Charles? Die heeft te veel diepgang voor de Nederlandse wateren, maar de Hollanders hebben wel een ander doel voor het schip. Het wordt als toeristische attractie in Hellevoetsluis gelegd, tot Charles protesteert dat dit een grove belediging is en het in 1672 afgebroken wordt voor verkoop. Maar de spiegel (achtersteven) ligt nog steeds in het Rijksmuseum van Amsterdam.

6. Zo brutaal als de hond

Niet velen zullen gehoord hebben van Peter Wessel. Maar één van de meest bizarre gebeurtenissen op zee staat wel op zijn naam. Het gebeurt op 26 en 27 juli 1714 voor de kust van Lindesnes, Noorwegen.

Wessel vaart voor Denemarken (Denemarken en Noorwegen zijn één natie op dit moment) en heeft commando over het fregat Løvendals Galei met 18 stukken. Zoals dan niet ongebruikelijk, voert hij een valse vlag, en wel de Nederlandse. Hij is op jacht naar Zweedse kapers…

Rond 14:00 ziet hij een ander schip, het fregat De Olbing Galley met 28 stukken, dus behoorlijk superieur aan zijn eigen schip. De naam van de kapitein wordt telkens anders gegeven, dus die laten we hier even zitten, maar hij is in ieder geval een Engelsman, want het is ook een Engels schip en voert een Engelse vlag. Maar ook dat is een valse vlag, want het schip is uitgeleend aan Zweden en vaart ook op dat moment voor die natie.

De verslagen zijn dan een beetje vaag. Het is niet helemaal duidelijk wie als eerste zijn ware nationaliteit toont en het vuur opent. Is voor dit verhaal ook van geen belang. In ieder geval raken ze verstrikt in een verhit vuurgevecht.

Na zeven uur vechten en veel schade en slachtoffers probeert de Engelsman om 21:15 te vluchten, waarop Wessel de achtervolging inzet. Om 22:30 kruisen ze de degens weer, maar om 23:45 moeten ze stoppen vanwege het invallen van de nacht.

Die nacht wordt gebruikt voor noodreparaties, voor zover dat gaat. De hele nacht was op beide schepen gezaag en geklop te horen, wanneer de timmerlieden met het reservehout proberen masten, ra’s, huid en dekken weer gevechtsklaar te maken. Het zal een onheilspellend geluid geweest zijn, dat het kermen van de slachtoffers overstijgt.

Om 6:00 bij dageraad hervat het gevecht zich weer en gaat door tot 9:30. Op dat moment zitten ze al 14 uur in elkaars haren en beide schepen zijn zwaar beschadigd.

Maar dat is niet Wessels grootste probleem: hij is zo goed als door zijn kanonskogels en buskruit heen!

Elk ander mens zou proberen weg te komen. Maar niet Wessel. Hij laat een sloep te water met een witte vlag en stuurt die naar de vijand. Die denkt dat de Deen komt onderhandelen over overgave. Niets is minder waar. In plaats daarvan brengt de ongetwijfeld grijnzende bode de complimenten van Wessel over het fijne duel over en het hondsbrutale verzoek voor meer ammunitie, zodat hij het gevecht voort kan zetten! Ik kan me zo voorstellen dat de Engelsman even niet wist wat hij hoort, dat zijn mond openvalt van verbazing en dat hij dan in bulderend gelach is uitgebarsten.

Kogels en buskruit krijgt Wessel uiteraard niet, maar wel iets anders. De twee schepen naderen, de bemanning juicht elkaar toe en beide gezagvoerders toosten op elkaars gezondheid over het water. Daarna besluiten ze het erbij te laten en ieder zijns weegs te gaan vanwege de zware schade en totale uitputting van de matrozen aan beide zijden.

Het verhaal krijgt nog een staartje, want de Deense koning is woedend. Hij daagt Wessel voor een krijgsraad vanwege het onthullen van kritieke informatie (geen ammunitie meer) aan de vijand en een veel sterker schip aanvallen en daarmee ’s konings schip riskerend. Niet snel onder de indruk, verzet Wessel zich hevig en vist een vergeten clausule uit het Deense scheepswetboek boven water, die het verplichtte om een vluchtend vijandelijk schip aan te vallen ongeacht de grootte.

Maar daarmee is het nog niet gedaan met Wessels brutaliteit. Overtuigd van zichzelf vraagt hij nu aan de koning om promotie tot kapitein… en die krijgt hij!

Dit is niet zijn grootste en meest indrukwekkende gevecht, maar wel de meest anekdotische. Want twee jaar later wordt hij beroemd door de Slag bij Dynekilen en wordt hij in de adelstand verheven als Peter Tordenskjold (Donderschild).

5. Onwaarschijnlijk zeemanschap

Iedereen kent het verhaal van de muiterij op de Bounty. Maar minder bekend is het ongelooflijk staaltje zeemanschap dat kapitein William Bligh daarna laat zien.

Bligh is niet de wrede tiran uit de films, maar hij is wel een ongemakkelijk man. Dat doet niets af aan zijn zeemanskunst.

Nadat Fletcher Christian het schip heeft overgenomen, wordt kapitein Bligh met enkele getrouwen op een barkas (launch) overboord gezet. Feitelijk is dat gezien de omstandigheden een doodsvonnis. Het is een open boot van 23 voet lengte, met ruimte voor 10 man. Maar nu moet het plaats bieden aan 19 inclusief hun spullen en voorraden. Er willen nog meer mensen mee, maar dat mag niet. Christian kan niet iedereen missen. Het is zo krap, dat niemand zijn benen kan strekken en wie niet op de doften kan zitten, zit in een paar duim water. Er is maar 7 inch (bijna 18 cm) vrijboord en dat is op volle zee gevaarlijk weinig.

Ze krijgen aan voedsel mee 70 kg scheepsbeschuit, 10 kg gezouten varkensvlees, 7 liter rum, 6 flessen wijn en 130 liter water, wat ook nog allemaal in dat bootje moet. Dat is onder normale omstandigheden genoeg voor vijf dagen, maar ze zitten wel midden op de Stille Oceaan. Verder krijgen ze mee de gereedschapskist van de timmerman en vier kortelassen. Om te navigeren heeft Bligh alleen tot zijn beschikking een zakhorloge, kompas, kwadrant en op de valreep een sextant, maar geen chronometer of zeekaarten. Wel heeft hij een nautische almanak. En daarmee moeten ze het doen.

Op 28 april 1789 om 10 uur wordt de lijn van de boot gekapt…

Wat zullen ze een angst gehad hebben… Na het trauma van de angstige muiterij staat nu een nog groter trauma te wachten.

Het eerste doel is Tofua. Dat ligt op 50 km en door de rookpluim van de vulkaan is het goed te zien aan de horizon. Daar hoopt Bligh meer voedsel en water te halen. In eerste instantie gaat dit goed en is de bevolking vriendelijk, maar door één of andere onduidelijke reden slaat de stemming om en op 2 mei beseft Bligh dat ze hier zo snel mogelijk vandaan moeten. De bewoners van het eiland proberen hen tegen te houden en daarbij wordt kwartiermeester Norton gedood door stenen. Nog een poosje wordt de boot door een kano gevolgd en de stenenregen blijft komen, zodat iedereen wel een keer geraakt wordt.

Wat nu? Oorspronkelijk had Bligh van hier naar Tongatapu willen varen om daar hulp van de koning te vragen, maar na deze ervaring durft niemand dat meer aan. En de kapitein besluit dat hun beste optie is om in één ruk naar Nederlands Timor te varen, een tocht van 3618 zeemijl (6500 km) op open water zonder enige beschutting en met te weinig voedsel. Niet iedereen is het ermee eens, maar uiteindelijk wordt zo besloten.

Alles wat niet nodig is, van reservekleding tot touwen, wordt overboord gegooid om meer plaats te maken en om de boot lichter te maken. Het gereedschap van de timmerman moet er ook aan geloven, zodat ze een kist hebben om het scheepsbeschuit droog in te bewaren. Er wordt berekend dat ze het kunnen halen als ze zichzelf een rantsoen opleggen van 1 ons brood en een kwart pint water (140 ml) per dag de man.

Maar de reis wordt achtervolgd door pech. Op 4 en 5 mei overleven ze ternauwernood een orkaanachtige storm, waarbij hoge golven het bootje dreigen op te slokken en de mannen onafgebroken moeten putsen om niet te verdrinken. Iedereen is tot op het bot nat. Het enige voordeel is dat ze nu wel te drinken hebben.

Het wordt een gruwelijke reis. Ze komen langs Fiji, maar durven niet te landen vanwege de verhalen over kannibalisme. De nachten zijn vreselijk koud. Ze zijn dagen achtereen doorweekt. Het blijft maar stormen. Al snel is iedereen uitgeput. Bligh probeert de moed er nog wel in te houden door verhalen te vertellen en te laten zingen, maar men is de wanhoop nabij. Koortsachtig – en dat soms zeer letterlijk – klampt men zich vast aan de wil om te overleven.

Op 24 mei schijnt ineens de zon. Ze zien vogels – een hoopvol teken op misschien land nabij – en ze weten er een paar te vangen, die ze rauw verorberen. Op 28 mei varen ze door het Great Barrier Reef in een kalme lagune en landen even later op een eilandje dat Bligh Restoration Island noemt.

Ze kunnen nauwelijks meer lopen, maar hier weten ze met een vergrootglas vuur te maken en koken een stoofpot van scheepsbeschuit, gezouten vlees, bessen, oesters en schelpdieren en kunnen ze een paar dagen bijkomen.

Maar de mannen beginnen onder de druk te bezwijken. Er breekt ruzie uit en er wordt met geweld gedreigd. Er dreigt weer muiterij, die Bligh alleen de kop in weet te drukken door te dreigen met de dood.

De reis van 3 tot 10 juni is het zwaarst, maar op 14 juni landen ze dan eindelijk op Timor, broodmager, in vodden en onder de zweren. Bligh heeft het gered en heeft maar één man verloren…

4. Ultieme horror story

Stel, je schip vergaat. Je overleeft het, maar het eilandje waar je terechtkomt, heeft nauwelijks voedsel en geen water. En dan blijkt één van de andere overlevenden een psychopaat…

Dat is precies wat de overlevenden van de Batavia in 1629 overkomt. Iedereen die de prachtige, fascinerende replica in Lelystad wel eens bezocht heeft, kan zich misschien voorstellen hoe opgeprakt de 341 opvarenden geweest moeten zijn. De 8 maanden lange reis moet een ware hel geweest zijn. En dan bestaat de leiding ook nog eens uit een oprechte, maar niet erg krachtige commandeur, een wellustige en wraakzuchtige schipper en een geldbeluste, psychopathische koopman…

Wellicht is dit niet echt een verhaal van heldenmoed op zee, een ongelooflijk staaltje navigatie of sluwe krijgslist, maar het is wel ronduit het meest gruwelijke zeemansverhaal dat er in de lange maritieme geschiedenis te vinden is en hoort wat mij betreft in dit rijtje thuis.

Het is al hommels op de Batavia lang voordat ze vergaat. Het probleem zit hem in de schipper, Ariaen Jacobsz, en Jeronimus Cornelisz, een onderkoopman van de VOC.

Schipper Jacobsz is geen fatsoenlijk man. Hij heeft zijn lusten niet onder controle. Eerst probeert hij Lucretia Jans te verleiden, die op weg is naar haar aanstaande echtgenoot, maar hij loopt herhaaldelijk een blauwtje. Dan krijgt hij grote belangstelling voor haar dienstmaagd Zwaantje. En hoewel het door opperkoopman en commandeur Francisco Pelsaert verboden is, neemt hij haar mee naar andere schepen van de vloot bij Kaap de Goede Hoop om feest te vieren. Uiteindelijk wordt hij betrapt, als hij met haar staat te vrijen in het privaat bij Pelsaerts slaapvertrek.

Het wangedrag en zijn openbare dronkenschap leiden ertoe dat Pelsaert de schipper een zware publieke uitbrander geeft, wat kwaad bloed zet. Of eigenlijk verergert, want tien jaar eerder hebben ze ook al een heftig conflict in Indië gehad.

En Jacobsz wil nu twee dingen: wraak op Lucretia Jans, die hem afgewezen heeft, en onder de aanklacht uitkomen, die Pelsaert bij aankomst in Batavia zeker zal indienen. En hij vindt bij dat tweede doel het gewillige oor van Cornelisz, die zijn begerig oog op het vele handelsgoud- en zilver aan boord heeft laten vallen en onrealistische dromen heeft om ergens een eigen koninkrijkje te stichten.

Met twee zulke slechte sujetten aan boord in hoge posities en een leider die hier niet tegenop gewassen is en ook nog eens ziek wordt, moet het wel misgaan. Beide mannen beginnen een muiterij te plannen en nauwkeurig voor te bereiden en vinden daarbij onder allerlei gelederen van de bemanning mensen die er wel oren naar hebben.

Op 22 april verlaten ze Kaapstad en de schipper zorgt er expres al snel voor dat ze gescheiden raken van de vloot. En op 12 mei overvalt een groep mannen onder leiding van Jacobsz Lucretia Jans in haar kamer en besmeuren haar met uitwerpselen en andere viezigheid. Pelsaert kan de man echter niet meteen straffen, want Jacobsz is de enige die navigeren kan. Bovendien is Pelsaert ziek.

Tot een muiterij komt het niet, want op 4 juni in de vroege ochtend loopt de Batavia vast op een koraalrif bij de Houtman Abrolhos-eilanden voor de westkust van Australië, mogelijk bewust veroorzaakt door Jacobsz.

Wat er daarna gebeurt, tart elke beschrijving. De ‘stuff of nightmares’. Bij de schipbreuk komen meteen al ongeveer 40 (of meer) van de ongeveer 340 opvarenden om en verdrinken. De rest verlaat uiteindelijk het wrak en komt aan op Beacon Island. Helaas is daar behalve zeeleeuwen en vogels, geen voedsel en al helemaal geen vers water. Dit is niet een plek waar ze rustig redding kunnen afwachten, als die al komt, aangezien ze ver uit koers zijn geraakt.

Pelsaert besluit op zoek te gaan naar water. Hij gaat op pad in de grote sloep samen met schipper Jacobsz, de hogere officieren, wat bemanningsleden en enkele passagiers. Met 48 personen is de 9 meter lange boot echter overvol, zodat ze maar 60 cm vrijboord hebben.

Over zijn gevaarlijke, gewaagde, knappe en ongetwijfeld avontuurlijke reis zijn weinig details bekend, wat jammer is, want het doet erg denken aan het hierboven beschreven staaltje van kapitein Bligh en verdient ongetwijfeld dezelfde bewondering, maar na 33 dagen en bijna 3000 km bereikt hij zonder slachtoffers Batavia, waar bootsman Jan Evertsz meteen wordt geëxecuteerd voor nalatigheid en schandalig gedrag en Jacobsz wordt gearresteerd, hoewel Pelsaert op dat moment nog niets weet van de samenzwering tot muiterij.

Hij weet ook niets van de ramp die zich ondertussen op het eiland met de schipbreukelingen afspeelt…

Daar heeft de psychopaat Cornelisz alle macht naar zich toegetrokken. Hij heeft alle wapens en voorraden onder zijn controle geplaatst en ontdoet zich meteen al op sluwe wijze van de sterkste tegenstanders: hij stuurt soldaat Wiebbe Hayes met twintig man op pad om op een ruim 8 kilometer verderop gelegen eiland naar water te gaan zoeken met het doel hen daar te laten verdorsten. Hij verspreidt onder allerlei voorwendselen ook anderen om zo de risico’s te verminderen. Sluwheid kan de man niet ontzegd worden.

Hij hoeft het niet alleen te doen: hij heeft 26, vaak fanatieke en soms getrainde, handlangers en daarna weet hij nog 12 andere mannen te dwingen ook mee te doen met de terreur.

En daarna begint hij begin juli een ‘killing spree’. Hij doodt zelf niemand, maar zet anderen ertoe aan. Tussen de 110 en 125 mensen worden vermoord, in het begin stiekem, daarna openlijk, omdat ze in de weg zitten, alleen maar zieke of nutteloze ‘opeters’ zijn, een gevaar voor hem vormen of gewoon voor de lol, mannen, (zwangere) vrouwen, kinderen en zuigelingen. Vanwege de voorraden wil hij immers terug naar maximaal 45 mensen en dan alleen diegene die hij helemaal onder de duim heeft.

In eenzaamheid of in groepjes worden de geterroriseerde overlevenden de keel doorgesneden of doodgestoken, bewusteloos dan wel met gebonden handen en voeten in zee geworpen om te verdrinken, gewurgd en doodgeknuppeld. En sommigen worden gedwongen anderen te vermoorden, wat ze uit pure angst doen.

Hij laat zeven vrouwen, onder wie Lucretia Jans, leven, vijf voor algemeen gebruik van zijn getrouwen (bedenk: dat zijn er 26!), twee als privéseksslavinnen. Lucretia eist hij voor zichzelf op. Later wordt één van de vrouwen alsnog vermoord.

Dieptriest is het verhaal van predikant Gijsbert Bastiaens, die zijn vrouw en zes kinderen vermoord ziet worden. Alleen zijn oudste dochter Judith wordt gespaard, als seksslavin. Vader mag haar dan nog wel met één van de aanvoerders huwen, zoals ook het lot van de andere vrouwen is. Alsof dat verkrachting minder erg maakt…

Maar het loopt niet helemaal zoals Cornelisz voor ogen heeft.

Wiebbe Hayes is een doodgewone soldaat, maar neemt vanaf het begin een natuurlijke leidersrol op zich. Hij laat na 20 dagen met de afgesproken rooksignalen weten dat hij water op zijn eiland heeft gevonden. Wanneer de drenkelingen op de andere eilandjes proberen daar op vlotten naartoe te vluchten, beveelt Cornelisz hen te laten verdrinken. Maar van de enkelen die het wel halen, hoort Hayes van het ware schrikbewind dat er gevoerd wordt en trekt zijn plan.

Hij maakt noodwapens van wat er uit het wrak is aangespoeld, door bijvoorbeeld spijkers door planken te slaan. Hij zet wachten uit en bouwt een klein fort van kalksteen en koraalblokken. Dat fort is nog steeds te ‘bewonderen’, maar is pathetisch klein. Het is het eerste officiële ‘blanke’ bouwwerk op Australië. Het meet maar 7,9 bij 3 meter, heeft geen dak, ramen of deur en is feitelijk niets anders dan een muurtje. Maar het is beter dan niets, want op het kale eiland is verder geen enkele andere beschutting.

Cornelisz begint zich nu zorgen te maken. Wat als Pelsaert Batavia heeft weten te bereiken en terugkomt met een reddingsschip? En wat als die Hayes eerst vindt en hoort wat er gebeurd is? Of wat als Hayes zelf een vlot of boot weet te bouwen, want Cornelisz vermoedt – onterecht – dat Hayes een kompas heeft. En dus stuurt hij een paar getrouwen om de soldaten uit de weg te ruimen. Hij heeft immers toch de wapens!

Er volgt een serie ongetwijfeld heroïsche en wanhopige gevechten. De eerste aanval weet Hayes af te slaan, omdat zijn mannen beter getraind en beter gevoed zijn. De tweede aanval ook. Cornelisz stuurt daarna een brief in het Frans, waarin hij om de uitlevering van de vluchtelingen vraagt en probeert een wig te drijven tussen de Franse en Hollandse soldaten. Daar trapt Wiebbe echter niet in.

Dan gaat Cornelisz er zelf heen, maar bij die poging wordt hij zelf gevangengenomen en worden vier van zijn mannen doodgeslagen. Nu volgt het zwaarste gevecht. In het musketvuur komen drie van Hayes’ mannen om en bijna worden ze verslagen… Tot er een zeil aan de horizon verschijnt.

Een maand heeft Pelsaert erover gedaan om in Batavia te komen (6 juni tot 7 juli). Een maand heeft hij nodig om ongeveer bij de plek des onheils te komen en nog eens een maand om de juiste plek terug te vinden (15 juli tot 17 september).

Er ontstaat nu een race naar het schip tussen beide groepen. De muiters weten dat ze eerst moeten zijn en het jacht in moeten nemen, want anders is hun leven geen duit meer waard. Maar Hayes is eerst… “Commandeur, ga direct terug aan boord! Er zit een bende schurken op de eilanden die uw schip willen kapen! Ze hebben al meer dan honderd man vermoord!” Als Cornnelisz even later aanhaakt, is het te laat en kijkt hij in de lopen van musketten. Cornelisz en zijn trawanten worden gevangengenomen .

En Pelsaert neemt geen halve maatregelen. Hij besluit meteen ter plekke een rechtszaak te houden, omdat de terugreis op het kleine schip met zoveel misdadigers veel te gevaarlijk zou zijn.

Cornelisz en 6 anderen worden de handen afgehakt met hamer en beitel (beide handen bij Cornelisz, de rechterhand bij de anderen) en daarna worden ze opgehangen.

De 18-jarige kajuitjongen Jan Pelgrom de Bye en de 24-jarige soldaat Wouter Loos, die na Cornelisz’ gevangenname de leiding overgenomen had, worden in eerste instantie ook ter dood veroordeeld, maar dat wordt later omgezet in verbanning. Jan kermt zo hartverscheurend, dat men hier vanwege zijn leeftijd toe besluit. En Wouter wordt gered door de seksslavin Judith, die voor hem pleit, omdat hij haar lang beschermd heeft tegen seksueel misbruik. De twee worden achtergelaten op Australië, waarmee ze de eerste blanke, permanente bewoners van dit land zijn. Van hen is nooit meer iets gehoord.

De rest wordt met de overlevenden meegenomen naar Batavia, maar pas na 12 november, want tot die tijd is Pelsaert nog bezig met het opvissen van de schatten uit het wrak. Als VOC moet je natuurlijk wel je prioriteiten stellen… Ik kan me zo voorstellen dat de gemartelde overlevenden hier zo snel mogelijk weg gewild hadden…

Onderweg krijgen de overige 16 muiters alvast zware lijfstraffen: ze worden gegeseld, gekielhaald en van de ra gevallen. Eenmaal in Batavia worden in januari nog eens 16 man opgehangen, hoewel Jacop Pietersz, de meedogenloze korporaal en rechterhand van Cornelisz, eerst van onderen wordt geradbraakt. Ariaen Jacobsz, de schipper, wordt hevig gemarteld, maar bekent niet en kan dus niet veroordeeld worden. We weten niet wat er van hem geworden is; vermoedelijk is hij in de kerkers gestorven.

Pelsaert zelf komt er ook niet ongeschonden vanaf. Hij wordt veroordeeld voor gebrek aan autoriteit. Zijn financiën worden afgenomen en binnen een jaar is hij dood door ziekte.

Hayes wordt gepromoveerd tot vaandrager (luitenant) en (enkele van) zijn trouwe soldaten tot korporaal.

3. Twee-in-één

Een blog over ongelooflijke zeehelden is natuurlijk niet compleet zonder Horatio Nelson. Hij heeft vele fijne overwinningen behaald, niet in de laatste plaats tijdens de Slag bij de Nijl en Trafalgar, maar een zeer gedurfd staaltje haalt hij uit op 14 februari 1797 in de Slag van Cape St. Vincent.

Ik zal jullie de hele slag besparen, maar me beperken tot het moment dat commodore Nelson besluit op eigen houtje te gaan avonturieren en bevelen te negeren, iets waar hij wel vaker een handje van heeft. En daarmee neemt hij een enorm risico, want als het verkeerd uitgepakt had, had hij voor een krijgsraad gekomen en was zijn carrière naar de Filistijnen geweest.

De precieze omstandigheden laat ik ook even buiten beschouwing, want dat is een ingewikkeld verhaal van manoeuvres, maar het komt erop neer dat Nelson op de Captain, een schip met 74 stukken, een kans ziet en de Engelse linie verlaat om een kleinere groep Spaanse schepen aan te vallen.

Dat is tegen het krankzinnige aan, want tot deze groep behoren maar liefst zes schepen die allemaal even groot of veel groter zijn dan hij: de San Ysidro met 74 stukken, de San Nicolás met 84 stukken, de San José, Salvador del Mundo en Mexicano, elk driedekkers met 112 stukken, en de Santísima Trinidad, op dat moment het grootste schip dat er rondvaart, met vier dekken en maar liefst 130 stukken geschut. En alle zes schieten nu op de Captain, die zich hierbij nietig gevoeld moet hebben.

Maar niet de van zelfvertrouwen blakende Nelson, die overigens wel spoedig hulp krijgt van andere Engelse schepen.

Het is een heftig gevecht en op een gegeven moment is de Captain onbestuurbaar geworden, want het stuurwiel is weggeschoten, de voormarssteng is overboord en zeilen en tuigage zijn aan flarden. Horatio kan nog maar één ding doen: enteren.

De San Nicolás is tegen de zwaar beschadigde San José aangevaren, en Nelson laat zijn eigen schip tegen de San Nicolás knallen. Zijn boegspriet breekt dwars door de Spaanse kampanjegalerij en Nelson leidt zijn mannen van zijn eigen bak door het gebroken houtsnijwerk naar het kampanjedek. Na dit schip ingenomen te hebben, klauteren zijn mannen door naar het tweede Spaanse schip en neen dat ook in.

De verschillen in slachtoffers zijn enorm en onbegrijpelijk. Op de San Nicolás de Bari zijn 144 doden, onder wie de commandant, en 59 zwaargewonden, op de San José 46 doden en 96 zwaargewonden. Nelson en de Captain hebben ‘slechts’ 24 doden en 56 zwaargewonden te betreuren.

Nelson is zelf ook gewond geraakt, maar kan door. Hij is bij het enteren geraakt door rondvliegend puin, waardoor hij een breuk in zijn buik oploopt. Maar op dat moment heeft nog wel zijn arm, die hij later kwijt zou raken, hoewel in een eerder gevecht één oog al zo goed als blind geraakt is.

Zijn actie krijgt liefkozend een naam: Nelson’s patent bridge for boarding enemy vessels.

2. De echte Moby Dick

De Schrijver van Moby Dick heeft het verhaal niet helemaal uit zijn duim gezogen. Het is gebaseerd op één van de afschuwelijkste zeeverhalen die er bestaan.

Op 20 november 1820 wordt de Nantucket walvisvaarder Essex in de zuidelijke Pacific geramd door een gigantische walvisstier, waarna het reddeloos verloren is. Snel rapen ze de navigatie-instrumenten, wat persoonlijke bezittingen en een beperkte hoeveelheid scheepsbeschuit en water bij elkaar en stappen over op de walvissloepen.

De ruimte is het probleem niet. Ze zijn met 20 man en hebben drie sloepen, elk van 6-9 meter lang. Ze maken er een noodmast met zeilen op, verhogen de gangboorden tegen de zeegolven en dat is het dan. Maar deze sloepen zijn helemaal niet bedoeld voor een lange zeereis en zijn provisorisch gerepareerd!

De eerste sloep staat onder commando van de 29-jarige kapitein George Pollard, de tweede onder de 21-jarige eerste stuurman Owen Chase en de derde onder de 26-jarige tweede stuur Matthew Joy. Er zijn twee sets navigatie-instrumenten, die naar Pollard en Chase gaan, zodat Joy moet hopen dat hij de andere twee sloepen niet kwijt zal raken op open zee.

Dan zinkt de Essex en dobberen ze op de eindeloze Stille Oceaan, 2000 zeemijlen (3700 km) van de kust van Zuid-Amerika…

De Marquesas Eilanden en de Genootschapseilanden (met Tahiti) zijn dichterbij en hoewel kapitein Pollard aandringt daarheen te gaan, durven de andere twee officieren het niet aan uit (onterechte) angst voor kannibalisme. Het blijkt een fatale keuze…

Op 22 november begint de helletocht.

Het begint meteen al niet goed. Eén boot verliest een plank en de mannen moeten naar één kant hangen, zodat de boot genoeg overhelt, zodat een ander langszij er hout tegenaan kan timmeren. Het stormt. De zee is ruw. Ze moeten voortdurend water hozen. Hun brood heeft in het zeewater gelegen en is dus zout, wat nog dorstiger maakt. Maar ze zetten zo goed ze kunnen een koers uit en beginnen aan de onmogelijke tocht.

Tien dagen lang leven ze van hun rantsoenen en dan pas slachten ze de eerste schildpad die ze van het wrak hebben meegenomen.

Op 20 december, precies een maand nadat hun schip geramd is, komen ze aan op het onbewoonde atol Henderson Island. De mannen hebben honger en dorst en zijn er slecht aan toe, doordat ze zonder beschutting een maand op zee zijn geweest in de regen, wind en brandende zon.

Ze vinden hier vogels, eieren, krabben, vis en kruidkers, maar er is alleen een bron met zoet water onder de vloedlijn, wat zeer karig is. Als de mannen hadden geweten dat ze vlakbij Pitcairn waren, hadden ze daar hulp kunnen krijgen, want de overlevenden van de muiterij op de Bounty leven daar nog…

Na een week is het voedsel op het eiland op en besluiten ze dat ze verder moeten. Maar de 18-jarige William Wright, de 16-jarige Seth Weeks en harpoenier Thomas Chappel, de enige blanken die geen ingezetene van Nantucket zijn, besluiten hier achter te blijven. We weten niet wat hun beweegreden zijn, maar kunnen er wel naar raden. Nantucket is een zeer hechte, tamelijk geïsoleerde gemeenschap, verbonden door diepe banden van verwantschap, cultuur en nabuurschap. Deze drie mannen voelen niet de loyaliteit en verplichting jegens de groep die de andere blanken voelen. Misschien hebben ze wel het idee dat ze in het nadeel zouden zijn, wanneer het moeilijk zou gaan worden en wellicht zelfs opgeofferd zouden worden.

Waarom de zwarte opvarenden dan niet ook blijven, weet ik niet. We weten van een paar dat ze niet uit Nantucket komen, maar niet waar de rest vandaan komt. Het is niet zo dat ze geen vrije keuze hebben: ze zijn geen slaven en min of meer gelijk. We zullen het nooit weten…

Dus 17 man vertrekken van Henderson Island en hopen Paaseiland te bereiken. Storm en regen, dan weer verzengende zon, honger en uitdroging, angst, spanningen en wanhoop… We kunnen ons de gruwel niet voorstellen.

Op 4 januari zijn de vis en vogels van Henderson Island op en moeten ze weer terugvallen op 1 kop water en 3 ons brood per dag.

Op 10 januari bezwijkt tweede stuurman Joy. Al voor vertrek uit Nantucket is zijn gezondheid niet goed , dus het is niet zo vreemd dat hij als eerste bezwijkt. Zijn lichaam wordt aan de zee gegeven en de 20-jarige harpoenier Obed Hendricks neemt zijn plek als leider van de boot in.

De volgende dag gebeurt datgene waar ze al steeds voor gevreesd hebben. Tijdens slecht weer raakt de boot van Chase gescheiden van de andere twee. We kunnen ons niet voorstellen welke paniek dat teweeggebracht moet hebben.

Op 20 januari zijn ze al twee maanden op zee, wanneer de volgende doden vallen. Op de boot van Chase sterft de ongeveer 60-jarige zwarte matroos Richard Peterson en zijn lichaam wordt in zee gegooid. Op de boot van Hendricks sterven Lawson Thomas en Samuel Reed, beiden zwart. Is het toeval dat de kleurlingen eerst gingen? Wel, er is geen enkele indicatie dat er opzet in het spel is, tenzij iedereen collectief gelogen heeft, maar dat valt van zulke gelovige Quakers nauwelijks te verwachten. Wat mogelijk meespeelt, is enerzijds de leeftijd van Peterson (we weten niet hoe oud de andere twee zijn). Waarschijnlijk waren ze al minder doorvoed, toen ze aan de reis begonnen (wat dan wel met hun ras te maken gehad zal hebben). Maar ook dat zullen we nooit zeker weten.

Maar daar waar Peterson in de golven verdwijnt, maken ze op de boot van Hendricks een andere keuze: ze besluiten de twee doden op te eten. De lichamen worden nauwkeurig geslacht en het vlees gedroogd, zodat ze het bewaren kunnen. De mannen zijn overgegaan op kannibalisme.

Binnen een paar dagen sterven ook de andere twee zwarte matrozen, Charles Shorter en Isaiah Sheppard, en ook zij worden opgegeten.

Op 29 januari raken ook de boten van Pollard en Hendricks van elkaar gescheiden. De arme Hendricks heeft geen navigatiemiddelen aan boord en er is nooit meer iets van hen gehoord. Hendricks, Joseph West en de zwarte hofmeester William Bond hebben ergens daar op zee de dood gevonden, door honger en uitdroging, door verdrinking, of wellicht door iets anders…

Op 6 februari gaan de overlevenden op de boot van Pollard een stap verder. Iemand moet zich opofferen, zodat de anderen overleven. Ze trekken strootjes en de 16-jarige Owen Coffin trekt de kortste. Hij wordt doodgeschoten en opgegeten.

Op 10 februari sterft Isaac Cole op de boot van Chase, de dag erna Barzillai Ray op de boot van Pollard. Beiden worden eveneens opgegeten.

Drie maanden zijn ze nu op zee en de mannen zijn op. Ze zullen wel gehallucineerd hebben. Maar dan, als ze nog maar een paar dagen of wellicht zelfs nog maar een paar uur te leven hebben, is voor beide gescheiden boten de redding nabij.

Op 18 februari worden Chase, de 20-jarige Benjamin Lawrence en de 14-jarige Thomas Nickerson gered. Ze kunnen niet meer zelfstandig aan boord klimmen en moeten worden getild. Ze zijn tot vlak bij het eiland gekomen dat ze hadden proberen te bereiken en dat mag knap genoemd worden. Kapitein Pollard en de 15-jarige Charles Ramsdell moeten nog vijf dagen langer in die hel leven en worden half bewusteloos aangetroffen.

17 maart zijn de mannen weer samen en 23 maart gaan ze naar huis, behalve Pollard, die te zwak is en in mei volgt. En de mannen die op Henderson Island achtergebleven zijn? Zoals beloofd vertelt Pollard waar ze zijn en er wordt een schip gestuurd. Alleen… iedereen denkt dat ze op Ducie Island zijn. De drie mannen mogen van geluk spreken dat wanneer de kapitein van het reddingsschip dat verlaten aantreft, hij niet zijn schouders ophaalt, maar tot de gecalculeerde conclusie komt, dat wellicht Henderson Island bedoeld is. Alle drie hebben het overleefd en worden op 9 april gered. Van de 20 komen 8 man thuis.

Dat betekent niet dat de hel voorbij was. Alle 8 gaan – noodgedwongen – ook weer naar zee. Maar wanneer Pollard op zijn eerstvolgende tocht weer vergaat, staat hij te boek als verdoemd (een zogenaamde ‘jonah’) en wil niemand hem meer huren of voor hem varen. Chase verliest drie vrouwen en lijdt onder zijn ‘demonen’. Hij wordt uiteindelijk gek. Het is helaas niet ‘eind goed, al goed’.

Overigens zijn verhalen van kannibalisme onder verhongerende overlevenden niet zeldzaam, ook niet op zee.

Een bekend verhaal is dat van de Méduse, dat op 2 juli 1816 aan de grond loopt voor de Westafrikaanse kust. Omdat er te weinig reddingsboten zijn voor de 400 mensen aan boord (slechts plek voor 250), wordt er een provisorisch vlot gebouwd voor 147 opvarenden, onder wie één vrouw, dat gesleept zal worden.

Dat komt al meteen gedeeltelijk onder water te liggen zodra het ‘beladen’ is en al na een paar mijl in de eerste nacht snijdt de kapitein in de reddingsboot de sleeplijn door en laat de mensen aan hun lot over, zonder navigatiemiddelen en met maar 1 zak scheepsbeschuit (dat na 1 dag al op is), 2 vaatjes water (die bij gevechten overboord vallen) en zes kistjes wijn.

Er breekt direct een bloedige burgeroorlog op het half gezonken vlot uit.

Tientallen worden in zee gespoeld in een storm, dronken matrozen komen in opstand en worden door de officieren gedood, gewonde of verzwakte mensen worden simpelweg overboord gegooid of plegen zelfmoord of zijn verhongerd, en de rest vervalt tot kannibalisme. Na 13 dagen wordt het vlot gevonden met nog slechts 15 overlevenden. En dit is slechts één van de vele voorbeelden.

1. 1 tegen 3

We kennen de heroïek van de Slag bij Trafalgar (1805), maar meestal wordt die verteld vanuit het perspectief van de winnaar, de Engelsen dus. Maar dat wil niet zeggen dat er aan de andere zijde niet ook heldhaftig gevochten is.

De Redoutable is een linieschip met 74 kanons onder commando van kapitein Jean-Jacques-Étienne Lucas. Het is het derde schip in de Franse linie. Nelson is vast van plan die linie te breken en kiest daar exact deze plek voor uit. En Redoutable ‘wasn’t having any of it’.

Tien minuten lang schiet het Franse schip op de Engelsman om het breken van de linie te voorkomen en schiet de Engelse fokkemarsen, kruisbramsteng en grootbramsteng eraf. Redoutable smijt zich langs Nelsons HMS Victory, met 104 kanons een stuk groter dan de Fransman. De tuigage wordt met enterhaken aan elkaar vastgemaakt, zodat ze niet meer af kunnen drijven. De volle laag van de Victory zaait dood en verderf aan boord van de Fransman. De schepen liggen zo dicht tegen elkaar dat de kanonniers van de Victory hun laadstokken niet volledig uit de geschutspoorten kunnen steken. De schepen lopen nu ook gevaar in brand te vliegen door de steekvlammen, zodat er voortdurend gehoosd moet worden.

Een furieus musketduel zaait gedurende een kwartier dood en verderf op het Engelse dek, waarbij ook handgranaten worden gegooid. De Franse scherpschutters zijn hier speciaal voor getraind. En dat betaalt zich uit: het is tijdens deze fatale vijftien minuten dat Nelson dodelijk getroffen wordt.

Het gevecht komt stil te liggen. De dekken van Victory waren bezaaid met gewonden en doden, Nelson was stervende, de onderste geschutsdekken van de Redoutable zijn buiten gevecht gesteld. Maar enteren is lastig, omdat de Victory hoger ligt. Lucas besluit daarop dat de grote ra opgeofferd moet worden om als brug te dienen. Het lot van Victory lijkt bezegeld…

Maar net als de Fransen op het punt staan om te enteren, duikt de HMS Téméraire op, een enorm Engels schip met 98 kanons, dus ook flink groter dan de Fransman. “Vuur!” Een verwoestende à bout portant (van heel dichtbij) volle laag van kanons dubbel geladen met kanonskogels en kartetsen doorboort de lengte van het Franse schip. In een oogwenk zijn er 200-300 Fransen dood of gewond, inclusief de kapitein en eerste luitenant, die echter op hun post blijven, en is de entering afgeslagen.

Gesandwicht tussen twee monsterlijk grote Engelse oorlogsschepen blijft Redoutable niets over dan te blijven vuren tot bijna al haar kanons uit hun rolpaarden geschoten zijn en het roer en de achtersteven bijna volledig verwoest zijn.

Het drama wordt nog verhevigd, wanneer een derde schip, de HMS Tonnant, positie neemt achter Redoutable.

Om 13:55, na anderhalf uur bloedig vechten, en met Lucas ernstig gewond en nog maar 99 van de 643 man in staat om te vechten (300 doden, 222 zwaargewonden), is Redoutable feitelijk niet meer te verdedigen. Bang dat het schip zal zinken voor de gewonden geëvacueerd zijn, strijkt Lucas een half uur later de vlag.

De achterzijde van het gehavende, Franse schip is een groot gat en staat op het punt van instorten, het roer is weg, alle masten zijn weg, de romp is meermaals doorboord. Lucas moet dringend hulp vragen aan de pompen, want daar zijn er ook vier van verwoest en hij heeft nauwelijks mannen meer over.

Een paar dagen later zinkt het halve wrak in een storm en neemt nog eens 174 mee het zeegraf in. Slechts 50 overlevenden weten zich te redden aan drijfhout. Met een slachtofferpercentage van 80% (474 doden, 514 doden en gewonden tezamen) is dit het hoogste van welk schip in de geschiedenis ooit.

Ter vergelijking: Victory en Téméraire (die ook in gevecht met andere schepen slachtoffers opgelopen hadden) hebben respectievelijk 57 doden en 102 gewonden, en 47 doden en 76 gewonden…

Speciale vermelding

Hoewel deze blog gaat over bijzondere daden op zee uit het zeiltijdperk, wil ik de mijnenveger HNLMS Abraham Crijnssen hier een bijzondere vermelding geven voor de meest originele list tot nu toe. In maart 1942 weet het aan de Japanners te ontkomen door zichzelf te vermommen als een klein oerwoudeiland. De bemanning hakt bomen om en kapt takken en bindt die over het dek. Het niet bedekte metaal en delen van de romp wordt grijs geschilderd zodat het op stenen klippen lijkt. Overdag houden ze zich muisstil bij de kust, zodat ze in de achtergrond opgaan en reizen verder bij nacht. Op die manier varen ze veilig zo’n 1000 mijl van Java naar Fremantle, Australië, als de enige overlevende van zijn klasse.

 Laat me vooral weten wie er volgens jou nog in dit rijtje thuishoren en of je het met de volgorde eens bent.

Daring Exploits at Sea

 

So, I have a thing for pirates. But also for naval heroes. That was not because I used to live in the Zeeheldenbuurt (the neighbourhood where all the streets had names of sea heroes) or because I  learned to sing In een Blauwgeruite Kiel (old song about De Ruijter) as a child. It is the extension of my ’thing’ with pirates and in particular with naval battles.

I used to study the details of puzzles of historical naval battles for ages (we had the one of the Battle of Ter Heijde by Van Beerstraten at home) and it was the most exciting part of sea films with Errol Flynn. I devoured Horatio Hornblower by Forester (although I found O’Brian’s books less interesting). I am totally fascinated when I visit the Batavia or HMS Victory with the horror that the sailors must have experienced during such a battle. By far the closest to such an experience is the battle scene of Master and Commander with Russell Crowe, in which you imagine yourself in the middle of it.

And where pirates were on the criminal, illegal side of the coin, naval heroes were on the other side. With privateers a bit in between. And well, sometimes pirates operated on behalf of a government, which made it a bit legal, and fleet officers engaged in illegal piracy. There was a good portion of overlap.

But I think that a captain and his crew who engaged in a naval battle all went through the same misery and needed the same courage, whether we are talking about a small pirate sloop or a huge man-o’-war of the highest category.

But what appeals most among all the hero stories are the David-versus-Goliath victories or successes achieved through cunning and original stratagems. They read like a boy’s novel and at least stimulate my imagination.

I have selected a number of them from the Age of Sail for your – and my – enjoyment, limiting myself to European and North American heroes. Here is my list of daring attacks, desperate moves, exceptional courage and original stratagems. Please let me know if you think I missed a gem and let’s start counting down.

15. The ship of the Great Mughal

The huge Mughal fleet with merchandise, treasures and pilgrims for Mecca makes every pirate’s mouth water. But capturing the fleet is not that easy. That year it consists of 25 ships, some of which are gigantic in size, crew and armament.

Still, Henry Every decides to take a chance.

Every has only been a pirate for a year. He has obtained the Fancy in the spring or summer of 1694 after a mutiny. It is a 5th rate frigate with 46 guns and 113 men on board. He doesn’t have to do it alone: he has formed a small fleet with five other pirates, but since he has the largest ship by far, he is the temporary admiral. In total, the pirates have 440 men to make their move.

During the night, the Mughal fleet manages to escape, but the pirates give chase. It soon becomes clear that some were too slow. One ship is so slow that it is burned and the crew switches to the Fancy.

After four or five days, they overtake a straggler. This is the escort Fateh Muhammed. It is an impressive opponent: 94 guns, 800 crew members. Still, Every decides to attack it. Whether it is because the crew is cowardly, or because they have already suffered damage in an earlier battle with the Amity, in which Captain Tew is killed, is impossible to determine, but Every takes it with little resistance.

They capture 50,000-60,000 pounds (in nowadays currency about 30 million dollars). But since it has to be distributed over the entire fleet, it is ultimately only scant per person. And so they also go after the Ganj-i-Sawai . This is the personal flagship of the Emperor of India. Depending on the source, it has 62 or 80 guns and about 1100 men on board, including about 450 soldiers. It is not easy to determine how many people on board are sailors who can fight or defenceless pilgrims.

On September 7, 1695, it comes to the infamous encounter, an encounter that the Fancy should have lost on paper. But the first broadside of the pirates tips the scales in their favour. The main mast of the Indian is immediately shot in half and when a cannon explodes, causing chaos and fire, the fate of the treasure ship seems sealed.

Now Every boards, in which only two ships participate, first the Fancy and then the Pearl. What exactly happens, we only know from a description of an Indian historian who is in Surat, when the plundered ship arrives there later. He writes that the captain fled below deck and armed the slave girls, with the order to fight the pirates. He places the blame entirely on this man’s shoulders, because he has not led the two-to-three-hour fierce fight, which eventually causes the ship to surrender. With the numbers of people on board, that should never have happened.

It is unclear how many pirates die in this battle. There may have been a few, but also more than a hundred.

What happens next is less pretty. Days of rape, murder and torture follow. We know that this happens because some of the pirates who are later captured testify to this and say that it still weighs heavily on their souls.

But the loot is astronomical. How much it os, has never become entirely clear. The British government claims that it is 325,000 pounds, but they benefite from underestimating, the Indian government says 600,000, but they have an interest in exaggerating. Depending on the current calculation, that is about 200 to 400 million dollars.

This only has to be shared with the Pearl, because the other ships have not participated. But eventually the crew of the Pearl is stripped of their share, ostensibly as punishment for trading clipped coins to the crew of the Fancy. Every gives the captain of the Pearl at least 2000 pieces of eight and then everyone goes his way.

Every sailed to Isle Bourbon and arrives there in November. There, each pirate receives about 1000 pounds (around a ton now) plus a share in jewellery. The French and Danes on board stay behind here, the rest sails to the Bahamas. In order not to attract attention if they pay with Indian coins, they buy ninety slaves on Isle Bourbon. They can not only do the heavy work on board, but can also be sold (at a profit). The stolen money is thus laundered. Seventeen men voluntarily stay behind on Ascension Island and never arrive in the Bahamas (a pirate paradise at the time).

There, Every manages to bribe the governor, which is not very difficult. First of all, the bribe is three times his annual salary. Second, he knows that if he would thwart Every, he could easily plunder the island. And thirdly, there is a threat of a foreign attack, which the governor would never be able to resist, but could with the help of the Fancy. This is what we also see earlier in Port Royal in Jamaica: the government leaves an island too weakly protected, so that the population and traders seek refuge in pirates and buccaneers, who in exchange for a free port and a blind eye help to protect the island.

Not that the pirates are happy now. Oh my goodness, Nassau is booooooring! They hardly have the opportunity to paint the town red! And their stay here would not last long either.

For by now the emperor has heard what has happened and he is understandably furious. And as punishment he has English officers and traders imprisoned in the factories that England has in India and closes five important trading ports. The East India Company, which is already in dire financial straits, has no choice but to compensate for the damage and put a price on Every’s head. Together with the English government, it offers no less than 1000 pounds, a huge amount at the time.

This sets in motion the first global manhunt recorded in history.

But Every is never captured. Some of his men are and five or six are eventually hanged, but Every himself and the rest of his crew disappear from the face of the earth.

Is this the biggest pirate loot ever? That depends on whether 325,000 or 600,000 pounds have been captured. In 1721, Levasseur and Taylor take the Nossa Senhora do Cabo. Of that, the loot is estimated at 875,000 pounds, which would now be more than 400 million dollars, depending on the calculation method. That would then be about the same or slightly more than the Ganj-i-Saraj, provided that the amount mentioned by the Indian emperor is correct, but certainly more if the English calculation is correct. But there is no doubt that it is the most imaginative booty, and moreover, Taylor and Levasseur hardly had to make any effort for it, because the Cabo was already paralyzed by a storm.

14. Zijn Daden Bennen Groot (“He deeds are great”) 

Piet Hein, zijn naam is klein, zijn daden bennen groot (“Piet Hein, his name is small, his deeds are great”)… It won’t mean anything to everyone, but I learned the folk song from my parents as a child. Hij heeft gewonnen de Zilveren Vloot (“He has won the Silver Fleet”). And he accomplishes that feat on September 7 and 8, 1627 in the Bay of Matanzas near Cuba.

This is not a story of great courage or cunning manoeuvring, but one of some luck on the one hand and incompetence on the other. But because of the enormous impact on Dutch history, I think it deserves a place here.

That year, Piet Hein is on his way to the West Indies with the task of capturing the Silver Fleet. That is exactly what the name says: a huge Spanish fleet in which the American silver is brought to Spain every year.

Piet Hein is not the only illustrious name on this fleet. Other famous attendees are Admiral Lonck, Vice-Admiral Banckert, Rear Admiral Melckmeyt and flag captain Witte de With.

Spain knows he is coming. There is no surprise there.

The silver fleet consists of two fleets. The Tierre Firme fleet comes from the coast of Panama, where silver is loaded from Potosí, which has been transported by land across the isthmus. The Nueva España fleet or St. James fleet comes from Mexico and Honduras. In Havana, the fleets are assembled to sail together to Spain.

And that is where Piet Hein lays an ambush and plans to lay in waiting for the fleet.

On 8 August, the Spanish commander Juan de Benavides Bazán thinks it is safe enough to risk a breakout, because another Dutch privateer fleet has returned home.

But things are not going well for Piet Hein. Unfavourable currents keep driving him away from Havana and after a few weeks he begins to doubt whether the fleet would still come. He is just thinking about returning home when, on 29 August, Witte de With intercepts a barque that is on its way to warn the silver fleet. And so he navigates back into position with great difficulty, but once again can not maintain himself there.

On 7 September he is reinforced and now has 31 ships. He decides to wait and see for two more days and then return. Given the date on which he manages to capture the silver fleet, things almost went wrong. If the Spaniards had waited one or two days longer, Hein would have been left empty-handed, because he doesn’t want to wait any longer because of the storm season that is approaching.

And now fate plays a hand. At that time, the silver fleet has already been shattered by a hurricane, and two groups of ships are dragged by the current past Havana straight into the hands of Hein, who has also drifted off.

In the night of 7 to 8 September, the Nuestra Señora de la Concepción almost collides with the Witte Leeuw and is taken. That is one. When dawn makes the sea surface sparkle, the Dutch see 20 other ships. Twelve of them are in the leeward of the Dutch and nine of them, smaller cargo ships, immediately panick and drop anchor. Hein only has to send a sloop with an interpreter to talk to the Spaniards for half an hour before they surrender without a fight. That is already ten.

But there are also four large galleons that are on the other side and have been cut off, including the flagship. Instead of fighting against this oddity, Benavidez decides to entrench himself in the Bay of Matanzas in order to bring the silver safely to Havana by land.

What happens next is a pattern I’ve often seen when studying battles between Spaniards and pirates at the time. The Spaniards display an unprecedented amount of clumsy incompetence and unmotivated cowardice. Because first the galleons get stuck on the mud banks of the roadstead, so that they are not in the right defensive position to be able to fire.

Thereupon many people on board immediately begin to get to safety on land and even Benavidez himself goes ashore. According to his own words, he does this to get the crew back and arrange the transfer of the silver, but in this situation, he really should have stayed on board and sent other officers to arrange this. The truth is that morale on the Spanish side is actually broken before a single shot has been fired.

Piet Hein decides not to delay and immediately orders a sloop attack. A few musket volleys later, the Spanish crew, who does not have the guns ready to fire, already surrender. So it is hardly a movie-worthy action.

After two more smaller ships are captured, the total comes to 16. Hein sinks 11 of them and incorporates the rest, including the galleons, into his own fleet. After all, they are undamaged, because not a single cannon shot has been fired.

You would think that Piet Hein had reason to take revenge. He had been chained to the oars as a galley slave for four years under the most appalling conditions. He has every reason to hate Spaniards. But he doesn’t. The Spanish crew is given enough provisions for a walk to Havana and in fluent Spanish Hein shows them the way.

Without losing a man or a ship, Piet Hein has captured an enormous treasure. It consists of 177,537 pounds of silver, 135 pounds of gold, 1000 pearls, 37,375 hides, 361 chests of sugar (according to other sources, 235), 7061 pieces of logwood, and 2270 chests or sacks of indigo and 735 chests or sacks of cochineal, those dyes representing a third of the total value. In addition, there are smaller quantities of silk, musk, amber, bezoar, jewellery and other luxury goods, which are partly pilfered by the Dutch crew. When they return home, they are searched, so that something surfaces, but in England some have already fled, with their treasures.

In total, the loot amounts to 11,509,524 guilders, which would now be almost 128 million euros. All participants receive seventeen months extra pay.

But the real loot is in other things. On the one hand, the new Republic suddenly has a lot of money. This not only pays for overdue salaries of soldiers and the construction of new warships, but it also paid directly for the Siege of ‘s-Hertogenbosch. The capture of this strategic Spanish key city is a turning point in the Eighty Years’ War.

At the same time, Spain is completely financially dependent on the silver fleet and because of this loss, the state treasury is immediately empty, which in turn leads to mutinies in the Spanish army, when the soldiers are not paid.

Furthermore, it gives the Republic a lot of self-confidence and international prestige, while conversely it definitively damages Spain’s reputation as an invincible superpower. The Netherlands therefore owe their independence to a large extent, and perhaps entirely, to the capture of the silver fleet.

Spain is well aware of this, because Benavides is beheaded for dereliction of duty and his vice-admiral is sentenced to life imprisonment.

By the way, I also tried to find out why the Spanish soldier and especially sailor are so poorly motivated and not very loyal and patriotic at that time. After all, during the Reconquista they fight bravely and during the Napoleonic Wars the soldiers are not good, but the guerrillas are very effective.

A number of reasons are given, which have to do with the fact that Spain is actually already collapsing at the time.

  • Because Spain regularly goes bankrupt, soldiers and sailors are sometimes not paid for months or years, which leads to desertion and mutiny.
  • Men are poorly supplied, so they fight in rags, with inferior weapons and without decent food.
  • Because the population has shrunk severely due to diseases, among other things, the gaps are filled by recruiting criminals, vagrants, untrained farmers and foreign mercenaries.
  • There is no deep-rooted maritime culture.
  • Due to a lack of money, ships often lay idle in the ports for years, so that sailors receive virtually no practical training at sea.
  • Officers’ posts in the Navy are not given on the basis of talent, but are bought by noblemen from the interior.
  • Spain holds on to old traditions, while the enemy innovates.
  • Spain fights on many fronts at the same time for decades, leaving soldiers morally exhausted, because they feel they are fighting for a hopeless cause of a failing monarchy.

Is this the only time that the Treasure Fleet is the victim? No, of course not. Such prices attract robbers. Two are more than worth mentioning.

On March 1, 1579, the famous captain Francis Drake in the equally famous ship Golden Hind is told that the Nuestra Señora de la Concepción is nearby, and he decides to take his chance. This ship has a wonderful nickname: Cacafuego or Fire Shitter.

Because it is the middle of the day and he does not want to arouse suspicion by taking in sail, he throws some wine barrels behind the ship in order to slow down until night fell. He then pretends to be a merchant and in the early evening he comes alongside the Spaniard. When he refuses to surrender, Drake fires a broadside.

This salvo immediately takes down the mizzen mast, then Drake fires muskets and crossbows and before the Spaniards know what is happening (who do not expect any English in the Pacific), he has it boarded. And with hardly any resistance he takes the ship.

The loot amounts to 80 pounds of gold, 13 chests of silverware and jewels and more than 26 tons of silver. It takes six days to transfer the plunder. Then he lets the prisoners go with a gift and a free pass. Upon his return to England, Drake is knighted.

Another famous case, but this time of the Portuguese treasure fleet, is in 1719, when the famous pirate Bartholomew ‘Black Bart’ Roberts shows an unprecedented example of cold-bloodedness. Seeing a fleet of 42 ships in a bay, waiting for their escort, two huge warships, he simply hoists a Portuguese flag and joins them.

As night fell, he quietly boards one of the ships at the edge of this fleet and questions the captain. He pointeds out the richest ship in the convoy, the Sagrada Familia, with forty cannons and 170 men on board.

Roberts then sails his ship there in the morning and boards it with unprecedented ferocity. With little effort the ship is taken, and he sails away with his prize. The overweight warships stand no chance. The booty is unprecedented: 40,000 gold moidores (coins), lots of sugar, tobacco, furs and jewels, and a diamond-studded gold cross that is specially intended for the king.

13. Bluff poker

Captain Cochrane is very creative in coming up with ruses. It is not uncommon for ships to pretend to be different, for example by flying false flags, shortening masts, painting gun ports that are not there, giving the ship a different paint and the like. In every possible way they try to deceive the other, something that is allowed at the time, as long as you make it clear who you really are before the first shot. This can be done just before the first shot, so that it would not have mattered whether you do it or not.

Sometimes a large piece of wood is dragged behind the ship, so that the enemy thinks you are slower than you are. Or barrels and pieces of wood are launched in the hope that the enemy thinks you had been wrecked. And there are many other tricks to think of.

But Cochrane has a whole arsenal.

On December 21, 1800, he sees a Spanish merchantman anchored off the coast of Spain and sails towards it in the hope that he can take it. But as soon as he approaches , the gun ports fly open and the cannons are rolled out.

But Cochrane has made his preparations because he knows he is a hunted man. And so he has his ship painted as if he were Danish and now also hoists a Danish flag. However, the Spaniards do not immediately fall for this trick and sentd a boat with a boarding party.

Now Cochrane summons his quartermaster, who is Danish, in the uniform of a Danish captain, while also raising the yellow flag, the sign that a ship i in quarantine due to contagious disease. And the Spaniards scramble to turn around as quickly as they can.

On March 19, 1801, Cochrane is in danger of being the victim again when he is chased by a faster, larger ship. He has all the lights extinguished except one in his cabin, which he flickers occasionally. This gives the Spaniards something to follow and they get used to the swaying light. He then has a lantern placed on a barrel, which is dragged behind the ship. And when the moment is right, one light is extinguished and the other is lit, after which the barrel is cut loose.

The Spaniard must have been surprised when they found only an empty sea with a single ton at dawn. This trick has also been used in the books about captains Hornblower and Aubrey.

12. He who sows the wind will reap the storm

It is November 20, 1759. And in a flying westerly storm, the French fleet tries to break out of the English blockade to invade Scotland.

And then what you no longer expected happens after all: in the pouring rain you see the grim silhouettes of the English fleet, which had had to retreat earlier because of the storm.

What to do? Fighting in the high, ferocious waves in an unfavorable position? Or flee to a defensive position in a bay, where the English probably don’t dare to follow?

It will be the latter. And why not? The Baie de Quiberon is a graveyard of uncharted, hidden sandbanks, jagged cliffs and howling winds. They could probably get away in this maze, because the night is not far away.

But Sir Edward Hawke doesn’t care about that and he gives chase with all sails set. To hell with those sandbanks and cliffs! There is the Frenchman ahead and he will shoot them to the bottom of the sea, storm or no storm.

In a swirling, black sea and a stormy night, while the wind howls through the rigging and the helmsman needs help to hold the steering wheel, a gruesome, chaotic battle is fought, without tactics, in which everyone beats each other’s brains out without rules, with the sea being the big player.

Ships collide with each other and smash to pieces. Others run aground. One French ship turns the stern, but forgets to close the gun ports, so it capsizes, with only 22 men surviving the icy waves.  Two English ships hit the reefs.

Some French throew everything overboard so that they can slip away over the sandbanks, others have no idea in the darkness that they are anchored within the British lines. The pitch-black night is veined with guns and the howling wind drowned out by thundering cannons.

When dawn rises, the sky turns fiery red from the ships that have been set on fire, so that they would not fall into the hands of the enemy. But the French fleet has been destroyed. Of the 21 ships of the line, one hasd been captured, two have sunk, two have been scuttled and two have been wrecked. More than 2500 French sailors are dead.

On the English side, only 300 dead or wounded and two ships are lost.

Hawke has saved England.

At least, for a while…

11. Arrogant overconfidence?

A huge Spanish fleet of 53 warships looms on the sunny horizon near the Azores near the island of Flores. The English admiral is shocked. Half of his men are sick and his much smaller fleet does not stand a chance in this more than 2:1 superiority. He decides to set sail and sail away as quickly as possible while he still can.

But one ship, however, is left behind. The Revenge with 46 guns, 20 of them heavy pieces on the gun deck, commanded by Vice-Admiral Sir Richard Grenville, sees the rest of the fleet disappear on the horizon, the white sails like clouds above the horizon. The reason cannot be said with 100% certainty, but all stories claim that the ironside Grenville, who hatesthe Spanish to the core, hasd no intention of leaving his 80-90 sick on the island, where they might fall into the clutches of the Inquisition or end up on the galleys.

Whatever the reason, he is too late and when he is finally able to sail away after loading his patients, he is already trapped.

Or is that really the case? There are clear indications that he could still have slipped away by circumnavigating the island, away from the English fleet, but that he decides to sail straight after his comrades out of stubborn pride and arrogant hubris.

It could be. Grenville is a hot-headed little man. He is a tyrant to his men and hated. He says out loud that he would rather die than turn his back on a Spaniard. And he has fought against the Armada and perhaps because of that he thinks that the Spanish fleet is not worth much and that ‘England ruleds the waves’. Perhaps it is a bluff. Perhaps he hopes to give the rest of the English fleet time and to stop pursuit. Or maybe he even thinks he will be getting help.

But whatever the reason, he decides to sail his single ship right into the arms of a Spanish fleet of 53 ships, with 80-90 of his 190 or so men too sick to fight, while the fleet takes the wind out of his sails.

For fifteen hours, the Revenge fights for her life, from the evening of August 31 to the morning of September 1, while their numbers dwindle, their powder runs out, and their ship is shot to firewood. They fight heroically for fifteen hours until they can no longer withstand attack after attack after attack often from several ships at the same time.

The San Felipe, a powerful three-decker with 74-78 pieces, which can fire a broadside of 33 shots, attacks the Revenge first. The Spanish tactic is to board as quickly as possible, so that the English do not benefit from the long range of their guns. Bravely, the Revenge shoots back and is lucky that the grappling hook comes loose, after only ten Spaniards have boarded.

The San Barnabé, a patache with 9 pieces, comes to the aid of his comrade and manages to board successfully and save the survivors of the previous ten boarders. The English gunners have to abandon their posts to help repel this attack in a desperate attempt to save what can’t be saved.

When dusk begins to fall over the waters of the Azores, only 60 men are left, after 40 have already been killed or too badly wounded, after having parried this attack. But Grenville is also wounded. He is hit in his body and head and while the surgeon is bandaging him, that man also dies.

Then the San Cristóbal, a 26-gun galleon,  rams the Revenge under the poop, destroying its own bow in the process, and the Revenge is now attached to a Spaniard on both sides, with the only advantage being that the rest of the Spanish fleet can no longer fire for fear of hitting its own ships as well. The Spanish boarding team manages to capture the flag and reach the main mast, but are driven back by sheer stubborn heroism.

The fight continues through the night. The galleon Asunción and the flyboat La Serena also attack him, which he also manages to keep off. In the dark, they collide and sink.

The dawn shows a frightening picture. The Revenge is badly damaged. All three masts have been shot away. Everything on deck, including the two castles, are gone, so that the ship is only a hull filled with blood, corpses and wounded like a slaughterhouse. They have three holes in the hull below the waterline and in the hold there is six feet of water. The gunpowder is gone, all pikes have been broken. There are only 16-20 men left able to fight; the rest is sick, dead or seriously injured. Grenville is dying.

Grenville knows it was pointless. He has given everything, his men have given everything, his ship has given everything. He ordereds the ship to be sunk. But two of his officers refuse. The ship is sinking anyway, they argue, so why should we go down with it? The survivors surrender.

Grenville is brought aboard the Spanish flagship, where he dies. According to tradition, his last words would have been: “Here die I, Richard Grenville, with a joyful and quiet mind, for that I have ended my life as a true soldier ought to do, that hath fought for his country, Queen, religion and honour, whereby my soul willingly departeth from this body.” But whether that is true remains the question.

But it could still get worse. The Revenge and the captured English are sailed away as prizes, but the Spanish fleet soon finds itself in a storm, sinking many ships, including the Revenge, which is not surprising given the ship’s condition. The Spanish prize crew sadly drowns in the waves along with the prisoners. None of Grenville’s men survive his overconfident cockiness.

10. Ice in his veins

We all know that the Titanic sailed into an iceberg. But that is by no means the only ship this happened to.

Lieutenant Edward Riou is on his way to Australia with 88 crew members, 25 convicts for the penal colony and 10 civilians (passengers and supervisors). Somewhere in the South Pacific Ocean, about 2000 km from the Cape of Good Hope, he sees an iceberg and decides that more water is needed for the cattle on board. He puts a rowing boat overboard and that evening at 7 o’clock, Christmas Eve 24 December 1789, they return with blocks of ice. So far so good.

But then fate strikes. Suddenly, a dense fog rises, so that Riou can no longer even see the end of his ship. The wind and the sea current also change suddenly. And then the ship collides with the invisible part of the iceberg under water. A huge shock goes through the ship and I can imagine that it has been ominously threatening and cracking.

Up to three times the ship collides with the ice and with the rudder swept away and much of the keel destroyed, the water flows in quickly. Panic breaks out and Riou must act quickly if they don’t want to perish all in the icy waves. It’s literally pump or drown.

All men are put at the pumps, including the prisoners, who are taken out of their prisons to help. At ten o’clock that evening it is already clear that they will not make it. To make the ship lighter, all unnecessary ballast is thrown overboard, including the poor animals. All night long they fight in the freezing cold and an increasingly strong wind and rougher sea to keep the ship afloat, until the men hang exhausted over the pumps. At one point they are so deep in the water that waves crash over the deck and threaten to run into the hold through the hatches.

The next morning, he decides that he must evacuate the ship. Only: there are not enough sloops. One sloop perishes as soon as it is set overboard, the other four leave with sixty men. Three of them are never seen again, the fifth is rescued after nine days with fifteen survivors. But Riou is left on the battered ship with 62 others, including 21 convicts.

Riou is not a novice. Even though he is only 27, at the age of 13 he has already joined Cook’s third expedition. And that experience pays off. And a bit of luck. To everyone’s surprise, the HMS Guardian does not disappear into the waves, but remains afloat, partly due to the cargo of barrels in the hold, which serve as a swimming belt, and because most of the ballast has disappeared into the depth of the sea due to a crack in the ship’s hull. For the rest, Riou is responsible for the saving of ship and men.

First he tries something called fothering. Such a fothering tarpaulin is thrummed or roughened, by threading strands of cable yarn into it, which can then be greased or tarred, after which it is pulled under the ship like a kind of diaper. Because it sucks itself in, it helps to stop holes. This procedure is clearly depicted in one of the episodes of the series Hornblower.

It is a tough journey, cold, wet and heavy. They are pumping day and night, fighting and struggling for what they are worth. But after nine weeks of toil, they are back at the Cape of Good Hope on February 21. Riou has not lost anyone during those weeks and it is one of the greatest survival facts in maritime history.

The convicts are now put on another ship to Australia, but Riou wants them to be pardoned for their efforts, without which the ship would have been lost. When that recommendation arrives in the penal colony, one has already been hanged for stealing and six others have already committed other crimes, but the fourteen others are indeed pardoned.

And Riou… he is later killed under Nelson near Copenhagen.

9. David vs. Goliath

It is a beautiful May dawn in 1801, when the aforementioned commander Thomas Cochrane, a redheaded, 1.88 meter tall giant of a Scotsman, bobs happily along in his brig HMS Speedy off the coast of Barcelona.

It is a small ship with only 14 4-pounders. Most of the crew is absent on a prize, so there are only 54 sailors on board. It is May 6, when the aggressive Cochrane catches sight of the Spanish xebec frigate El Gamo .

This is a much larger ship, a mastodon compared to the Speedy. It has 32 heavy guns (8 and 12 pounds and carronades of 24 pounds), so a broadside of this ship is no less than 190 pounds and that is over 7x more than what the Speedy can regurgitate. Moreover, it is packed with 319 people.

A wise man would turn the stern and run off quickly. But not the difficult Cochrane, who is at odds with everyone. He never flees. Instead, he orders his helmsman to approach the enemy. Not afraid of the devil, he already has a plan with a whole arsenal of tricks at the ready.

At 9:30 El Gamo fires a warning shot and hoists the Spanish colours. Cochrane then has the American flag hoisted. The Spaniard now hesitates and unwisely lets the other ship come closer.

That is exactly what Cochrane wants, because in a firefight at a distance, he does not stand a chance with his light guns. Yard by yard he crawls closer and only then hoists the English colours.

The Spaniard realizes his mistake and fires off a broadside. Cochrane manages to avoid it. Captain Francisco de Torre fires a second broadside, but Cochrane manages to avoid that too.

Then he is alongside and fouls the rigging. For the non-sailors among us: that means that he lets his yards hook themselves into the rigging of the enemy, so that they are stuck.

This leaves the frigate without a chance. It cannot depress its guns low enough to hit the small hull of the brig and the shots go through the sails and rigging.

The men behind the English guns wait sweating and tense, their ears bound against the noise with cloths, so that they will not bleed. Each barrel is double charged or even triple. Then comes the command. Fire! The ship shakes and the broadside goes through the hull and decks of the Spaniard. Already at the first English broadside, captain De Torres and his boatswain are killed.

Trusting in his superiority, the Spanish second-in-commander now organizes a boarding party, after which Cochrane takes a little distance and fires his cannons and muskets into the packed men, after which he immediately reduces the distance again.

When three boarding attempts fail bloodily, the Spaniard give his guns another shot. And Cochrane is taking a bold gamble. He leaves his surgeon at the helm as the only man on the ship and divides all his men into two boarding parties.

First, the first team of twenty sailors under Cochrane’s brother boards across the bow, but not before they have smeared their faces black, so that it looks as if they are feared Barbary privateers.

As the Spaniards rush to the bow to avert the danger, Cochrane leads the second team over the stern.

It is a bloody fight. In another cunning ruse, Cochrane calls to his surgeon at the helm to send the rest of the crew. There is just no rest… But the Spaniard doesn’t know that. When a sailor takes down the Spanish flag, the sailors think that their commander has surrendered and stop fighting.

With only three dead and nine wounded, Cochrane captures a superior frigate. On the Spanish deck, fourteen men lie dead and forty-one are wounded. All survivors are taken prisoner.

Ashamed and afraid for his honour, the Spanish commander begs Cochrane to draw up a certificate that he has fought bravely and really done everything he could. Cochrane is not a bad sort and does so. But one of the sentences reads “he conducted himself like a true Spaniard”. That doesn’t seem to say much, but during the French Revolutionary Wars, the Spaniards were not exactly known as brave.

Unfortunately, Cochrane and the brave sailors have little prize money left over, because the admiralty refuses to buy the ship. But he does get a promotion to captain.

Incidentally, the novel Master and Commander by O’Brien mentioned above is based on this.

8. I have not yet begun to fight

We can’t skip America. And if you say fleet + sailing ship + USA, you say John Paul Jones.

John Paul Jones is America’s greatest naval hero, but he is not an easy man. He is brave and determined, but also proud and ambitious, charming, but also impatient and easily in a huff. That is true for more famous sea captains, by the way… Comes with the territory, I think.

And his most famous fact is the Battle of Flamborough Head on September 23, 1779.

The Bonhomme Richard has 40 pieces and on paper that is not bad, but the ship is rotting and in poor condition. It is an old French East Indiaman, which has been converted into a warship.

And that September evening, his small squadron encounters a large English merchant convoy protected by the sloop Countess of Scarborough and the brand-new, fast, heavily armed 44-gun (including modern 18-pounders) frigate HMS Serapis under Captain Pearson.

As dusk slowly turns into night and the full moon rises, Serapis hails the Bonhomme Richard at 19:00. And when evasive answers come, the Englishman takes no chances, and both ships pump a deafening blast into each other’s hulls at close range.

Jones also has three 18-pounders and has placed them on the gun deck for extra firepower, but two explode at the first broadside and take their crew to ruin. The Bonhomme Richard doesn’t stand a chance and the Serapis tears open the hull and blows the old cannons to smithereens. With several shots under the waterline, the American starts to lean. The fight seems to be over with one broadside.

But not for John Paul Jones. By the devil but he would not give up now! And if he can’t win it with cannon fire, then so be it! He steers his crippled ship straight towards the Englishman until their rigging become entangled and the English jib boom got stuck in the rigging of the mizzen mast. Jones himself helps to lash the two ships with heavy anchor cables.

Pearson must have shaken his head at such a nonsensical action and shouts through the suffocating smoke if Jones is willing to surrender. And then comes his famous answer: “I have not yet begun to fight!”

In a bitter embrace, the ships smash their full broadsides, while sailors and marines try to sweep the enemy deck clean with muskets and grenades. Eventually, the American snipers in the rigging manage to clear the upper decks of the Serapis; everyone who is still alive has sought shelter below deck.

The tide seems to turn, until USS Alliance commits a huge stupidity. Captain Landais sails past and fires a broadside… which not only affects Serapis, but also his compatriot Bonhomme Richard! Fires break out here and there and slowly the ship begins to fill with water.

And then fortune favours fools… or heroes. It depends on how you look at it. An American sailor crawls to the end of a yard and throws a grenade into the deck hatch of Serapis

In order to fire faster, the powder monkeys on the English ship have flouted safety protocols and placed rows of powder cartridges directly in the middle of the deck instead of taking them out of the safe magazine one by one. The shell hits the hatch head, caroms and falls through to the lower deck, where the spilled powder explodes.

That sets off a chain reaction. The rows of cartridges now fly into the air like Domino D-Day. The explosion is so powerful that it blows away pieces of the upper deck, puts the entire lower gun deck out of service, kills more than 20 sailors and wounds dozens. Later, an American lieutenant notes that the survivors are covered in widespread flame burns.

Pearson is in shock. And he surrenders. At 22:30 the fight is over.

Two days later, the Bonhomme Richard sinks.

7. In the lion’s den

The Netherlands have a large number of naval heroes and of them Michiel de Ruijter is perhaps the greatest. And he manages – along with others – to humiliate England to the bone and pose the greatest threat since William the Conqueror and the Armada. We are of course talking about the Raid on the Medway from 19 to 24 June 1667.

In conversations with English people, I have noticed that this piece of history is known to very few. Apparently schoolbooks prefer to keep it concealed? In any case, English historians have twisted the story quite a bit to their advantage.

The command of the fleet lies with De Ruijter, Willem van Ghent has done the operational preparation and is responsible for the amphibious landing and Cornelis de Witt is there to supervise on behalf of the government, because it is feared that the admirals and captains would not want to follow the orders, as there are reasonable doubts about the feasibility. It is therefore an unprecedented feat.

The situation is that due to a lack of money, the English fleet had to be reduced and that the heaviest, and therefore most expensive, ships are laid up in the docks of Chatham. The crews of many ships have been fired, what is left, just like the garrisons, has often not been paid for months or even longer. Spies have warned, but those warnings have not been taken seriously and have been ignored.

And because King Charles is dragging the peace negotiations in the hope of involving France, the Republic decides that this is the time to strike, so that the war can be ended favorably. In addition, it would be a nice revenge for the English attack on the Vlie a year earlier (Holmes’s Bonfire), in which 150 merchant ships were set on fire.

The Dutch fleet consists of 62 heavy warships, 15 manoeuvrable light ships that are less deep in the water, 12 fireships, 17,500 men, including 1000 soldiers, mainly marines. This corps has just been founded and is a Dutch ‘invention’. And… The Netherlands have two pilots who know the shallows of the Thames well, a Calvinist dissident and a smuggler who has fled from justice.

The fleet could have been larger if the Zeeland and Frisian squadrons had been on time, but because crimping is forbidden in the Republic, they had problems recruiting sailors. And so ‘Bestevaêr’ (Dear Daddy) De Ruijter leaves on June 4 with three squadrons.

On June 6, the fog lifts and the sea of white sails is seen looming at the mouth of the Thames as if they were Vikings falling onto land out of nowhere.

The beginning is not promising. First they try to overpower an English merchant fleet of about 20 ships, which is anchored in the Thames, but they manage to flee in time.

On 9 June, Van Ghent’s squadron sails up the Medway to Chatham, where the naval base is located, and only now do the British wake up. But actually it is already too late for a real defense, because England is completely unprepared. And even now, no decisive measures are being taken and people seem paralyzed.

The action begins on 10 June, when the Dutch fire on the unfinished fort at Sheerness, which is poorly defended. When the marines go ashore, the garrison flees without any resistance. The fort is taken and destroyed and to the surprise of the English, the Dutch pay neatly for their food.

That is also a clear order. They clearly want to show themselves to be the better in contrast to the marauding English on Terschelling. Only the crew of one ship does not comply with the order and their captain later only manages to get out of the serious punishment by volunteering for a dangerous job.

So there is no looting? Yes, there is. A few towns fall prey to this… by the English troops themselves!

The next obstacle is the infamous chain over the Thames. This monster has links of 6 inches thick, but due to its enormous weight it is no less than 9 feet below the waterline, which is no problem for the lighter Dutch ships.

It is not until that afternoon that the English admiral Monck is ordered to go to Chatham and take up the matter. When he arrives, he expects everything to be ready for defense, but he is terrified when it turns out to be a mess. Only 12 of the 800 dockers are still present and they are panicking. There are only 10 of the 30 sloops left, because the rest has been used for the evacuation of property of high officials. There is no gunpowder or ammunition. There are no batteries set up near the chain.

As soon as he can, he has batteries set up, which takes a day, and four huge ships (two of which once belonged to the VOC) sunk into the main and secondary channels in front of the chain. Behind the chain are another three ships (two of which were originally Dutch) to fire at the enemy. On 11 June, he has more ships sunk, but that evening the first Dutch frigates have already towed away some wrecks and cleared a channel. Slowly, because of the shallows and tides, they advance towards London, although the larger ships have to stay behind because of their draft.

On June 12, the chain is broken. It is not really broken, as is the popular opinion in the Netherlands, but troops go ashore, who break the bolts with hammers, after which the chain is loosened. The Dutch fleet attacks every enemy ship within range and destroys two and captures the HMS Unity. A particularly lightly built ship, preceded by two fireships, voluntarily takes on the task of being the first to sail over the chain (remember the captain who volunteered), and with slight losses the blockade is taken. The somewhat further away HMS Royal Charles, another flagship, is also captured and dragged along without a fight, something that would not been necessary, because already in March there had been orders to move it, which orders have been ignored.

The English admiral Monck is at a loss. He orders all 16 warships in the river to be sunk before they fell into enemy hands. The population panicks, the elite flee London, the English officers all give contradictory orders now that there is no real leadership. The scenario is very favorable for the Dutch.

On June 13, they arrive in Chatham. The fire of Upnor Castle can do little and some of the best ships are burned with fireships, even though they are already sunk to the lowest gun deck. These include the huge ships HMS Royal James with 82 guns, the new HMS Loyal London with 80 and the HMS Royal Oak with 76.

Only now does Monck order Admiral Prince Rupert to organize the defense at Woolwich.

A day later, the Dutch want to be sure that no ship survives and De Ruijter sends a single rowing boat to the docks, which manages to burn down another three ships of the line to the waterline under fire.

And now? The original plan was to sail on for the docks and shipyards, which would have made the disaster complete, but De Witt admits that this is becoming too dangerous and impracticable and with the HMS Unity and the HMS Royal Charles they abscond. Despite the tide, they manage to drag the latter along, by tilting it, which reduces the draught. While the flag is taken down to the cheers of the Dutch sailors, trumpeters play the ambiguous song Joan’s placket is torn to mock the enemy.

De Ruijter looses an estimated 50-150 men and 8 fireships, but the latter are of course taken into account. But the English have 400 victims. Of their fleet, they have scuttled 30 ships themselves and 3 large and 10 smaller ones have been destroyed by the enemy, while 2 flagships have been carried away in triumph. It is the largest loss for the British navy ever, after the country has already been ravaged by the plague and the fire in London and an imminent bankruptcy. King Charles can do nothing but sign the peace on July 31.

And the Royal Charles? It has too much draught for the Dutch waters, but the Dutch do have a different purpose for the ship. It is anchored as a tourist attraction in Hellevoetsluis, until Charles protested that this is a gross insult and it is demolished for sale in 1672. But the stern is still in the Rijksmuseum of Amsterdam.

6. As bold as brass

Not many will have heard of Peter Wessel. But one of the most bizarre events at sea is to his name. It happens on July 26 and 27, 1714 off the coast of Lindesnes, Norway.

Wessel sails for Denmark (Denmark and Norway are one nation at the time) and commands the frigate Løvendals Galley with 18 guns. As is not unusual at the time, he flies a false flag, namely the Dutch one. He is on the hunt for Swedish privateers…

Around 14:00 he sees another ship, the frigate De Olbing Galley with 28 guns, so quite superior to his own ship. The name of the captain is given differently every time, so we will leave that be, but he is an Englishman, because it is also an English ship and flies an English flag. But that too is a false flag, because the ship has been lent to Sweden and is also sailing for that nation at that time.

The reports are a bit vague. It is not entirely clear who is the first to show his true nationality and open fire. Is also of no importance to this story. In any case, they get caught up in a heated firefight.

After seven hours of fighting and a lot of damage and casualties, the Englishman tries to flee at 21:15, after which Wessel gives chase. At 22:30 they cross swords again, but at 23:45 they have to stop because of nightfall.

That night is used for emergency repairs, as far as that is possible. All night long hammering and sawing can be heard on both ships, as the carpenters try to make masts, yards, hull and decks ready for combat again with the spare wood. It must have been an ominous sound that transcends the moaning of the victims.

At 6:00 at dawn, the fight resumes and continues until 9:30. At that time they have been at each other’s throats for 14 hours and both ships are badly damaged.

But that is not Wessel’s biggest problem: he has run as good as out off cannonballs and gunpowder!

Any other human being would try to get away. But not Wessel.

He launches a sloop with a white flag and sends it to the enemy. The enemy thinks the Dane comes to negotiate surrender. Nothing could be further from the truth. Instead, the undoubtedly grinning messenger conveys Wessel’s compliments on the fine duel and the brazen request for more ammunition so that he can continue the fight!

I can imagine that the Englishman could not believe his ears for a moment, that his mouth fell open in amazement and that he then burst into roaring laughter.

Of course, Wessel doesn’t get balls and gunpowder, but he does get something else. The two ships approach, the crew cheers each other on and both captains toast to each other’s health across the water. Then they decide to leave it at that and go their separate ways because of the heavy damage and total exhaustion of the sailors on both sides.

The story has consequences, because the Danish king is furious. He court-martials Wessel for revealing critical information (no more ammunition) to the enemy and attacking a much stronger ship and thus risking the king’s ship. Not easily impressed, Wessel resists vehemently and fishes out a forgotten clause from the Danish shipping code, which obliges him to attack a fleeing enemy ship regardless of size.

But that is not the end of Wessel’s cheekiness. Convinced of himself, he now asks the king for promotion to captain… And he gets it!

This is not his biggest and most impressive fight, but it is the most anecdotal. Two years later, he becomes famous for the Battle of Dynekilen and is ennobled as Peter Tordenskjold (Thunder shield).

5. Unlikely seamanship

Everyone knows the story of the mutiny on the Bounty. But less well known is the incredible feat of seamanship that Captain William Bligh shows afterwards.

Bligh is not the cruel tyrant in the movies, but he is a difficult man. That does not detract from his seamanship.

After Fletcher Christian has taken over the ship, captain Bligh and some faithful are thrown overboard on a launch. In fact, given the circumstances, that is a death sentence.

It wais an open boat of 23 feet in length, with room for 10 men. But now it has to accommodate 19 including their belongings and supplies. More people want to come along, but that is not allowed. Christian can’t miss everyone. It is so cramped that no one can stretch his legs, and those who cannot sit on the thwarts are in a few inches of water. There is only 7 inches of freeboard and that is dangerously little on the high seas.

They are given 70 kg of ship’s biscuits, 10 kg of salted pork, 7 liters of rum, 6 bottles of wine and 130 liters of water, all of which also has to go into that boat. Under normal circumstances, that is enough for five days, but they are in the middle of the Pacific Ocean. They also receive the carpenter’s toolbox and four cutlasses. To navigate, Bligh only has a pocket watch, compass, quadrant and at the last minute a sextant, but no chronometer or nautical charts. He does have a nautical almanac. And that’s what they have to make do with.

On April 28, 1789 at 10 o’clock the line of the boat wais cut…

What a fear they must have had… After the trauma of the fearful mutiny, an even greater trauma wais now awaiting.

The first target is Tofua. That is at 50 km and through the plume of smoke from the volcano it is clearly visible on the horizon. Bligh hopes to get more food and water there. At first this goes well and the population is friendly, but for some unclear reason the mood changes and on May 2 Bligh realizes that they have to get out of there as soon as possible. The inhabitants of the island try to stop them and quartermaster Norton is killed by stones. For a while the boat is followed by a canoe and the rain of stones keeps coming, so that everyone is hit at least once.

What now? Originally, Bligh wants to sail from here to Tongatapu to ask for help from the king, but after this experience no one dares to do that anymore. And the captain decides that their best option is to sail to Dutch Timor in one go, a trip of 3618 nautical miles (6500 km) on open water without any shelter and with too little food. Not everyone agrees, but in the end it is thus decided.

Everything that is not needed, from spare clothes to ropes, is thrown overboard to make more room and to make the boat lighter. The carpenter’s tools also have to go, so they have a chest to keep the ship’s biscuits dry. It is calculated that they can make it if they impose a ration of 1 ounce of bread and a quarter pint of water (140 ml) per day for each man.

But the trip is haunted by bad luck. On 4 and 5 May, they barely survive a hurricane-like storm, in which high waves threaten to swallow the boat and the men have to bail continuously to avoid drowning. Everyone is wet to the bone. The only advantage is that they now have something to drink.

It is a horrible journey. They pass Fiji, but do not dare to land because of the stories of cannibalism. The nights are terribly cold. They are soaked for days on end. It just keeps storming. Soon everyone is exhausted. Bligh tries to keep the spirits up by telling stories and having them sing, but they are close to despair. Feverishly – and sometimes very literally – people cling to the will to survive.

On May 24, the sun suddenly shines. They see birds – a hopeful sign of perhaps land nearby – and they manage to catch a few, which they devour raw. On May 28, they sail through the Great Barrier Reef in a calm lagoon and land a little later on an island Bligh calls Restoration Island.

They can hardly walk anymore, but here they manage to make a fire with a magnifying glass and cook a stew of ship’s biscuits, salted meat, berries, oysters and shellfish and they can recover for a few days.

But the men begin to succumb to the pressure. A fight breaks out and there are threats of violence. There is a threat of mutiny again, which Bligh only manages to suppress by threatening with death.

The journey from June 3 to 10 is the hardest, but on June 14 they finally land on Timor, skinny, in rags and covered in sores. Bligh has made it and has only lost one man…

4. Ultimate horror story

Suppose your ship sinks. You survive, but the island where you end up has hardly any food and no water. And then one of the other survivors turns out to be a psychopath…

That is exactly what happened to the survivors of the Batavia in 1629. Anyone who has ever visited the beautiful, fascinating replica in Lelystad can perhaps imagine how crammed the 341 people on board must have been. The 8-month journey must have been a real hell. And add to this that the leadership consisted of a sincere, but not very powerful commander, a lustful and vengeful skipper and a money-hungry, psychopathic merchant…

Perhaps this is not really a story of heroism at sea, an incredible feat of navigation or cunning stratagem, but it is simply the most gruesome sailor’s story that can be found in the long maritime history and belongs in this list as far as I am concerned.

There is already friction on the Batavia long before it perishes. The problem lies with the skipper, Ariaen Jacobsz, and Jeronimus Cornelisz, a sub-merchant of the VOC.

Skipper Jacobsz is not a decent man. He can’t control his lusts. First he tries to seduce Lucretia Jans, who is on her way to her husband-to-be, but he repeatedly gets turned down. Then he becomes very interested in her maidservant Zwaantje. And although it is forbidden by chief merchant and commander Francisco Pelsaert, he takes her to other ships of the fleet at the Cape of Good Hope to celebrate. Eventually he is caught making love to her in the head near Pelsaert’s cabin.

The misconduct and his public drunkenness leads to Pelsaert scolding the skipper severely, which causes bad blood. Or actually worsens it, because ten years earlier they had also had a fierce conflict in the Dutch East Indies.

And Jacobsz now wants two things: revenge on Lucretia Jans, who has rejected him, and to get out of the accusation, which Pelsaert would certainly file upon arrival in Batavia. In the second objective he finds the willing ear of Cornelisz, who has dropped his greedy eye on the many trading gold and silver on board and has unrealistic dreams of founding his own little kingdom somewhere.

With two such bad guys on board in high positions and a leader who is not up to it and also gets sick, things just have to go wrong. Both men begin to scheme and carefully prepare a mutiny and find people among all kinds of ranks of the crew who are interested in it.

They leave Cape Town on 22 April and the skipper quickly makes sure that they get separated from the fleet. And on May 12, a group of men led by Jacobsz assault Lucretia Jans in her room and smear her with feces and other filth. However, Pelsaert can not punish the man immediately, because Jacobsz is the only one who can navigate. Moreover, Pelsaert is ill.

It does not come to a mutiny, because on June 4 in the early morning, the Batavia runs aground on a coral reef near the Houtman Abrolhos Islands off the west coast of Australia, possibly deliberately caused by Jacobsz.

What happens next defies description. The stuff of nightmares. In the shipwreck, about 40 (or more) of the approximately 340 people on board immediately die and drown. The rest eventually leaves the wreckage and arrive at Beacon Island. Unfortunately, apart from sea lions and birds, there is no food and certainly no fresh water (and no shelter). This is not a place where they can quietly wait for rescue, if it would come at all, as they have gone far off course.

Pelsaert decides to look for water. He sets off in the large sloop together with skipper Jacobsz, the senior officers, some crew members and some passengers. However, with 48 people, the 9-metre-long boat is overcrowded, so they only have 60 cm of freeboard.

Few details are known about his dangerous, daring, skilled and undoubtedly adventurous journey, which is a pity, for it must equal the aforementioned achievement of Bligh in skill and hardship, but after 33 days and almost 3000 km he reaches Batavia without casualties, where boatswain Jan Evertsz is immediately executed for negligence and scandalous behavior and Jacobsz is arrested, although Pelsaert does not know anything about the conspiracy to mutiny at that time.

He also knows nothing about the disaster that is taking place on the island with the castaways…

There, the psychopath Cornelisz has taken all the power to himself. He has placed all weapons and supplies under his control and immediately cunningly gets rid of the strongest opponents: he sends soldier Wiebbe Hayes with twenty men to search for water on an island more than 8 kilometers away with the aim of making them die of thirst there. He also spreads others under all kinds of pretexts in order to reduce the risks.

He doesn’t have to do it alone: he has 26, often fanatical and sometimes trained, accomplices and then he manages to force 12 other men to join the terror as well.

And then he starts a ‘killing spree’ at the beginning of July. He does not kill anyone himself, but incites others to do so. Between 110 and 125 people are murdered, at first secretly, then openly, because they are in the way, are only sick or useless ‘eaters’, are a danger to him or just for fun, men, (pregnant) women, children and infants. After all, because of the stocks, he wants to go back to a maximum of 45 people and then only those he has completely under his thumb.

In solitude or in groups, the terrorized survivors’s throats are cut or they are stabbed to death, thrown into the sea either unconscious or with their hands and feet tied to drown, strangled and clubbed to death. And some are forced to kill others, which they do out of sheer fear.

He lets seven women, including Lucretia Jans, live, five for the general use of his faithful (remember, there are 26 of them!), two as private sex slaves. He claims Lucretia for himself. Later, one of the women is murdered after all.

Deeply saddening is the story of preacher Gijsbert Bastiaens, who sees his wife and six children murdered. Only his eldest daughter Judith is spared, as a sex slave. Father is still ‘allowed’ to marry her to one of the leaders, as was the fate of the other women. As if that makes rape less bad…

But things don’t go quite as Cornelisz envisions.

Wiebbe Hayes is an ordinary soldier, but takes on a natural leadership role from the start. After 20 days he announces with the agreed smoke signals that he has found water on his island. When the castaways on the other islands try to flee there on rafts, Cornelisz orders them to be drowned. But of the few who do make it, Hayes hears of the true reign of terror that is being waged and draws his plan.

He makes emergency weapons from what has washed ashore from the wreckage, for example by driving nails through planks. He sets out guards and builds a small fortress of limestone and coral blocks. That fort can still be ‘admired’, but is pathetically small. It is the first official ‘white’ structure in Australia. It measures only 7,9×3 meters (c. 26×10′), has no roof, windows or door and is in fact just a low wall. But it is better than nothing on the otherwise bare island.

Cornelisz is now starting to worry. What if Pelsaert has managed to reach Batavia and returns with a rescue ship? And what if  finds Hayes first and hears what happened? Or what if they manage to build a raft or boat themselves, because he suspects – wrongly – that they have a compass. And so he sends a few faithful to get rid of the soldiers. After all, he has the weapons!

A series of undoubtedly heroic and desperate battles ensues. Hayes manages to repel the first attack, because his men are better trained and better fed. The second attack too. Cornelisz sends a letter in French, asking for the extradition of the refugees and trying to drive a wedge between the French and Dutch soldiers. However, Wiebbe does not fall for that ruse.

Then Cornelisz goes there himself, but in that attempt he is captured himself and four of his men are beaten to death. Then the toughest fight follows. Three of Hayes’ men are killed in the musket fire and they are almost defeated… Until a sail appears on the horizon.

It took Pelsaert a month to get to Batavia (6 June to 7 July). He needs a month to get to the scene of the disaster and another month to find the right place (July 15 to September 17).

There is now a race to the ship between the two groups. The mutineers know that they have to be first and take the yacht, otherwise their lives are no longer worth a penny. But Hayes is first… “Commander, get back on board immediately! There is a gang of villains on the islands who want to hijack your ship! They have already killed more than a hundred men!” When Cornnelisz joins a little later, it is too late and he looks into the barrels of muskets. Cornelisz and his cronies were taken prisoner.

And Pelsaert is not taking half measures. He immediately decides to hold a trial on the spot, because the return trip on the small ship with so many criminals would be far too dangerous. The hands of Cornelisz and 6 others are cut off with hammer and chisel (both hands with Cornelisz, the right hand with the others) and then they are hanged.

The 18-year-old cabin boy Jan Pelgrom de Bye and the 24-year-old soldier Wouter Loos, who had taken over the leadership after Cornelisz’s capture, are initially sentenced to death, but that is later commuted to banishment. Jan moans so heartbreakingly that it is decided to do so because of his age. And Wouter is saved by the sex slave Judith, who advocates for him, because he has protected her from sexual abuse for a long time. The two are marooned in Australia, making them the first white, permanent residents of this country. They were never heard from again.

The rest is taken to Batavia with the survivors, but only after 12 November, because until then Pelsaert is still busy fishing for the treasures from the wreck. As VOC, of course, you have to set your priorities… I can imagine that the tortured survivors would have wanted to get out of here as soon as possible…

Along the way, the other 16 mutineers receive severe corporal punishment: they are flogged, keelhauled and dropped off the yard. In January, back in Batavia, another 16 men are hanged there, although Jacop Pietersz, Cornelisz’s ruthless corporal and right-hand man, is first broken on the wheel from below up. Ariaen Jacobsz, the skipper, is severely tortured, but does not confess and therefore cannot be convicted. We don’t know what became of him; he probably dies in the dungeons.

Pelsaert himself does not get away unscathed either. He is convicted of lack of authority. His finances are taken away and within a year he is dead of illness.

Hayes is promoted to standard-bearer (lieutenant) and (some of) his loyal soldiers to corporal.

3. Two-in-one

Of course, a blog about incredible naval heroes is not complete without Horatio Nelson. He has won many fine victories, not least at the Battle of the Nile and Trafalgar, but he pulls off a very daring feat on February 14, 1797 at the Battle of Cape St. Vincent.

I will spare you the whole battle, but limit myself to the moment that Commodore Nelson decides to go adventuring on his own and ignore orders, something he is prone of. And with that he take a huge gamble, because if it had turned out the wrong way, he would have been court-martialed and his career would have been down the drain.

I will also leave the exact circumstances aside for a moment, because that is a complicated story of maneuvers, but the bottom line is that Nelson on the Captain, a ship with 74 guns, sees an opportunity and leaves the English line to attack a smaller group of Spanish ships.

That is almost insane, because this group includes no less than six ships, all of which are the same size or much larger than him: the San Ysidro with 74 guns, the San Nicolás with 84 guns, the San José, Salvador del Mundo and Mexicano, each with 3-decks and 112 guns, and the Santísima Trinidad, at that time the largest ship that sails the wide seas, with four decks and no less than 130 pieces of artillery. And all six now start firing at the Captain, who must have felt insignificant in the process.

But not the self-confident Nelson, who soon receives help from other English ships.

It is a fierce fight and at one point the Captain has become uncontrollable, because the steering wheel has been shot away, the front fore-topmast is overboard and sails and rigging are in tatters. Horatio can now only do one thing: enter.

The San Nicolás has collided with the badly damaged San José, and Nelson crashes his own ship into the San Nicolás. His bowsprit breaks right through the Spanish poop deck gallery and Nelson leads his men from his own barge through the broken carvings onto the poop deck. After taking this ship, his men clamber on to the second Spanish ship and take it as well.

The differences in victims are enormous and incomprehensible. On the San Nicolás de Bari there are 144 dead, including the commander, and 59 seriously wounded, on the San José 46 dead and 96 seriously wounded. Nelson and the Captain have ‘only’ 24 dead and 56 seriously injured.

Nelson himself has also been injured, but is able to continue. He has been hit by flying debris while boarding, causing a fracture in his abdomen. But at that moment he still has his arm, which he will later lose, although in an earlier fight one eye had already turned as good as blind.

His action is affectionately nicknamed: Nelson’s patent bridge for boarding enemy vessels.

2. The real Moby Dick

The Author of Moby Dick has not completely invented the story. It is based on one of the most horrible sea stories in existence.

On November 20, 1820, the Nantucket whaler Essex is rammed in the South Pacific by a giant whale bull, after which it is irretrievably lost. They quickly gather the navigational instruments, some personal belongings and a limited amount of ship’s biscuits and water and switch to the whaling boats.

Space is not the problem. They are 20 men and have three sloops, each 6-9 meters long. They make an emergency mast with sails on it, raise the gangways against the sea waves and that is it. But these sloops are not at all intended for a long sea voyage and have been provisionally repaired!

The first sloop is commanded by 29-year-old Captain George Pollard, the second under 21-year-old first mate Owen Chase and the third under 26-year-old second-mate Matthew Joy. There are two sets of navigation instruments, which go to Pollard and Chase, so that Joy has to hope that he will not lose the other two sloops on the open sea.

Then the Essex sinks and they float on the endless Pacific Ocean, 2000 nautical miles (3700 km) from the coast of South America…

The Marquesas Islands and the Society Islands (with Tahiti) are closer and although Captain Pollard insists on going there, the other two officers do not dare to do so for (unjustified) fear of cannibalism. It turns out to be a fatal choice…

On November 22, the journey through hell begins.

It doesn’t start well right away. One boat loses a plank and the men have to hang to one side, so that the boat tilts enough so that another can hammer wood against it. It’s storming. The sea is rough. They have to bail water constantly. Their bread has been in the seawater and is therefore salty, which makes them even thirstier. But they set a course as best they can and start the impossible journey.

For ten days they live on their rations and only then do they slaughter the first turtle they have taken from the wreckage.

On December 20, exactly one month after their ship rammed, they arrive at the uninhabited atoll of Henderson Island. The men are hungry and thirsty and in a bad way, because they have been at sea for a month without shelter in the rain, wind and burning sun.

They find birds, eggs, crabs, fish and cress, but there is only one source of fresh water below the tide line, which is very sparse. If the men had known they were near Pitcairn, they could have gotten help there, because the survivors of the mutiny on the Bounty were still alive there…

After a week, the food on the island is gone and they decide that they have to move on. But 18-year-old William Wright, 16-year-old Seth Weeks and harpooner Thomas Chappel, the only white people who are not residents of Nantucket, decide to stay behind here. We don’t know what their motive is, but we can guess. Nantucket is a very close-knit, rather isolated community, bound together by deep ties of kinship, culture, and neighborliness. These three men do not feel the loyalty and obligation to the group that the other whites feel. Maybe they have the idea that they would be at a disadvantage when things would get difficult and maybe even be sacrificed.

Why the black passengers do not also stay, I do not know. We know of a few that they are not from Nantucket, but not where the rest come from. It is not that they do not have a free choice: they are not slaves and more or less equal. We’ll never know…

So 17 men leave Henderson Island and hope to reach Easter Island. Storm and rain, then scorching sun, hunger and dehydration, fear, tension and despair… We cannot imagine the horror.

On January 4, the fish and birds of Henderson Island are gone and they have to fall back on 1 cup of water and 3 ounces of bread a day.

On 10 January, second mate Joy succumbs. Even before leaving Nantucket, his health had not been good, so it is not surprising that he succumbs first. His body is given to the sea and the 20-year-old harpooner Obed Hendricks takes his place as leader of the boat.

The next day, what they have always feared happens. During bad weather, Chase’s boat gets separated from the other two. We cannot imagine the panic that must have caused.

On January 20, they have already been at sea for two months, when the next deaths occur. On Chase’s boat, the approximately 60-year-old black sailor Richard Peterson dies and his body is thrown into the sea. On Hendricks’ boat, Lawson Thomas and Samuel Reed die, both black. Is it a coincidence that the colored people go first? Well, there is no indication that there is intent at play, unless everyone has collectively lied, but that is hardly to be expected from such religious Quakers. What may have played a role is Peterson’s age on the one hand (we don’t know how old the other two are). They were probably already less fed when they started the journey (which must have had something to do with their race). But we will never know that for sure either.

But although Peterson disappears into the waves, they make a different choice on Hendricks’ boat: they decide to eat the two dead. The bodies are carefully slaughtered and the meat dried so that they ccan preserve it. The men have turned to cannibalism.

Within a few days, the other two black sailors, Charles Shorter and Isaiah Sheppard, also die and are eaten too.

On January 29, the boats of Pollard and Hendricks are also separated from each other. Poor Hendricks has no navigational aids on board and they have never been heard from again. Hendricks, Joseph West and the black steward William Bond have died somewhere out there at sea, from hunger and dehydration, from drowning, or perhaps from something else…

On 6 February, the survivors on Pollard’s boat go a step further. Someone has to sacrifice himself so that the others survive. They draw straws and 16-year-old Owen Coffin draws the shortest. He is shot and eaten.

On February 10, Isaac Cole dies on Chase’s boat, the next day Barzillai Ray dies on Pollard’s boat. Both are eaten.

They have been at sea for three months now and the men are exhausted. They must have hallucinated. But then, when they have only a few days or perhaps even a few hours left to live, salvation is near for both separated boats.

On February 18, Chase, 20-year-old Benjamin Lawrence and 14-year-old Thomas Nickerson are rescued. They can no longer climb on board independently and have to be lifted. They were close to the island they had tried to reach and that can be called skillful navigation indeed. Captain Pollard and 15-year-old Charles Ramsdell have to live in that hell for another five days and are found half unconscious.

March 17 the men are together again and March 23 they go home, except for Pollard, who is too weak and follows in May. And the men who were left behind on Henderson Island? As promised, Pollard tells them where they are and a ship issent. Only… everyone thinks they are on Ducie Island. The three men are fortunate that when the captain of the rescue ship finds it abandoned, he does not shrug his shoulders, but comes to the calculated conclusion that they probably meant Henderson Island. All three have survived and are rescued on April 9. Of the 20, 8 men come home.

That doesn’t mean hell was over. All 8 go back to sea – out of necessity. But when Pollard is shipwrecked again on his next voyage, he is known as damned (a so-called ‘jonah’) and no one wants to hire him or sail for him anymore. Chase looses three wives and suffers from his ‘demons’. He eventually goes crazy.

Incidentally, stories of cannibalism among starving survivors are not rare, not even at sea.

A well-known story is that of the Méduse, which runs aground off the West African coast on 2 July 1816. Because there are too few lifeboats for the 400 people on board (only room for 250), a makeshift raft is built for 147 people on board, including one woman, that would be towed.

It is immediately partially submerged as soon as it is ‘loaded’ and after only a few miles in the first night the captain in the lifeboat cuts the towing line and leaves the people to their fate, without navigational equipment and with only 1 bag of ship’s biscuits (which is already finished after 1 day), 2 barrels of water (which fall overboard in fighting) and six cases of wine.

A bloody civil war immediately breaks out.

Dozens are washed into the sea in a storm, drunken sailors revolt and are killed by the officers, wounded or weakened people are simply thrown overboard or commit suicide or starve to death, and the rest falls to cannibalism. After 13 days, the raft is found with only 15 survivors left. And this is just one of many examples.

1. 1 vs. 3

We know the heroism of the Battle of Trafalgar (1805), but it is usually told from the perspective of the winner, the English. But that does not mean that there was not also heroic fighting on the other side.

The Redoutable is a ship of the line with 74 guns under the command of captain Jean-Jacques-Étienne Lucas. It is the third ship in the French line. Nelson is determined to break that line and chooses exactly this spot for it. And Redoutable isn’t having any of it.

For ten minutes the French ship fires at the Englishman to prevent the line from breaking, shooting off her foretops, mizzen and main topgallant mast. Redoutable now throws herself along Nelson’s HMS Victory, with 104 guns a lot bigger than the Frenchman. The rigging is attached to each other with grappling hooks, so that they could no longer drift apart. Victory’s broadside sows death and destruction on board of the Frenchman. The ships are so close that Victory’s gunners cannot fully extend their ramrods out of the gunports. The ships are also in danger of catching fire due to the muzzle flames, so they have to continuously throw buckets of water on the holes.

A furious musket duel sows more death and destruction on the English deck for fifteen minutes, during which hand grenades are also thrown. The French sharpshooters are specially trained for this. And it pays off: it is during these fatal fifteen minutes that Nelson is fatally hit.

The fight comes to a standstill. The decks of Victory are littered with wounded and dead, Nelson is dying. But boarding is difficult, because the Victory is higher. Lucas then orders that the main yard should be sacrificed to serve as a bridge. Victory’s fate seems sealed…

But just as the French are about to board, the HMS Téméraire appears, a huge English ship with 98 guns, so also considerably larger than the Frenchman. “Fire!” A devastating close range broadside of guns double loaded with cannonballs and grapeshot rake the length of the French ship. In the blink of an eye, 200-300 Frenchmen are dead or wounded, including the captain and first lieutenant, who remain at their posts, and boarding is repulsed.

Sandwiched between two monstrously large English warships, Redoutable is left with nothing but to keep firing until almost all her guns have been shot off their gun carriages and the rudder and stern are almost completely destroyed. The drama is intensified when a third ship, HMS Tonnant, took position behind Redoutable.

At 13:55, after an hour and a half of bloody fighting, and with Lucas seriously wounded and only 99 of the 643 men still able to fight (300 killed, 222 seriously wounded), Redoutable is  effectively indefensible. Afraid that the ship will sink before the wounded are evacuated, Lucas lowers the flag half an hour later.

The rear of the battered French ship is a large hole and is on the verge of collapse, the rudder is gone, all masts are gone, the hull has been pierced several times. Lucas has to urgently ask for help for the pumps, because four of them have also been destroyed and he has hardly any men left.

A few days later, half the wreck sinks in a storm and takes another 174 with her to the sea grave. Only 50 survivors manage to save themselves on driftwood. With a casualty rate of 80% (474 dead, 514 dead and wounded combined), this is the highest of any ship in history ever.

By comparison, Victory and Téméraire (which had also suffered casualties in combat with other ships) have respectively 57 dead and 102 wounded, and 47 dead and 76 wounded…

Special mention

 Although this blog is about special feats at sea from the age of sail, I would like to give the minesweeper HNLMS Abraham Crijnssen a special mention here for the most original ruse so far. In March 1942, it manages to escape from the Japanese by disguising itself as a small jungle island. The crew chops down trees and cuts down branches and binds them across the deck. The uncovered metal parts of the hull are painted gray so that it looks like stone cliffs. During the day they keep quiet at the coast, so that they disappear against the background, and travel on at night. In this way, they journey safely some 1000 miles from Java to Fremantle, Australia, as the only survivor of its class.

Please, let me know who you think belongs in this list and if you agree with the order.

Reacties

Comments (0)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meer blogs en verhalen

Terug naar alle blogs
Back To Top