De beul… Weinig beroepen klinken zo naar… of zijn het ook. Bij beul denken we aan een man met een kap die met groot sadisme blij was om mensen pijn te doen en daar ook nog eens voor betaald werd. We denken dat het psychopaten aantrok of dat ze geestelijk gehandicapt waren. Maar de realiteit is anders en ook veel triester…
Beul bestond lange tijd niet als apart beroep. Executies werden ooit uitgevoerd door de heer van het land, kapiteins van de wacht, schinders of de benadeelde partij zelf. De eerste keer dat er een officiële beul genoemd wordt, is in 1276 in Augsburg. Het is dus een relatief jong beroep.
Waarom werd het een apart beroep? Omdat het bewust doden van mensen als onchristelijk werd gezien. Daar kwam nog bij dat het omgaan met lijken als religieus onrein werd gezien. Iedereen die hiermee te maken had, werd op neergekeken, had een stigma. Dat gold voor schinders (iemand die overleden dieren vilde en wegwerkte) en slagers, maar al helemaal als het om dode mensen ging. En daar wilden de heren graven, schouten en kapiteins hun handen letterlijk niet aan vuil maken.
En zo ontstond de beul.
Pittige beloningen
Maar niemand was er happig op om dat te doen, omdat men onrein van geest en lichaam werd en met de nodige sociale beperkingen te maken kreeg. Dus als een stad geen beul had (wat vaak het geval was) en er geen geroepen kon worden van een andere plaats, dan wees men iemand aan. Dat was dan vaak een soldaat of iemand die toch al een wegwerpartikel in de maatschappij was, zoals slagers, maar nog vaker een misdadiger, die er dan soms een pardon voor ontving.
Omdat niemand het wilde doen, betaalde het niet slecht. Even door de keper genomen verdiende een beul per executie 16-25x meer dan een vakman in een enkele dag, terwijl als je de mazzel had dat je een celebrity mocht onthoofden, je vaak enorme bonussen kreeg, nog bovenop wat familie je soms toestopte als je je werk met één slag goed deed.
Want denk niet dat elke beul zijn vak even goed verstond. Als je de pech had dat je een beginneling trof of iemand die er geen talent voor had of zelfs stomdronken was (waar we straks nog even op terug zullen komen), dan kon de onthoofding, die toch al niet al te prettig was, wel eens een ware martelslachting worden.
Voorbeelden zijn er daarvan genoeg.
- 1540: Een bewust gekozen onervaren beul had ook meerdere slagen nodig om Thomas Cromwell te onthoofden.
- 1587: De eerste slag die Mary Stuart van Schotland moest onthoofden, raakte de achterkant. De tweede was beter geplaatst, maar nog steeds niet afdoende, waarop de bijl als zaag gebruikt moest worden voor het laatste stukje.
- 1601: Thomas Derrick was een vriend van het slachtoffer, Robert Devereux, Earl van Essex, en was zo emotioneel dat hij 3 slagen nodig had.
- 1635: Jack Ketch was ook extra betaald (van tevoren, niet zo slim), maar had vijf bijlslagen nodig en moest uiteindelijk zijn mes gebruiken om de onthoofding van de Hertog van Monmouth te voltooien.
- 1683: Wederom Jack Ketch. En wederom van tevoren betaald. Dit keer was het slachtoffer Lord William Russell (je kunt iemand immers niet twee keer onthoofden). En Ketch miste en raakte de zijkant van het hoofd in plaats van de nek.
- 1766: Jean-Baptiste Sanson had een trillende hand door een blessure en de eerste zwaardslag raakte de kaak van Thomas Arthur, graaf van Lally-Tollendal. Zijn zoon Charles-Henri Sanson moest het overnemen.
En dan heb ik het nog niet over het gepruts met stroppen. Het verhaal is zo al misselijkmakend genoeg.
Neveninkomsten en bijbaantjes
Naast het vaste loon waren er de nodige neveninkomsten, die ervoor zorgden dat een beul financieel een zeker bestaan had. Allereerst was daar het Droit de Havage, wat in Nederland lepelrecht, scheprecht of beulsmarktrecht heette en in Duitsland Metzenrecht of Metzgeld genoemd werd. Het gaf de beul het recht om op de weekmarkt een zekere hoeveelheid voedsel (graan, brood, eieren, vis) uit de zakken van kooplieden te scheppen als belasting in natura.
In Engeland bestond dit recht niet, maar daar mochten ze vaak wel bijvoorbeeld de kleding van de ter dood veroordeelde opeisen. Vaak woonden ze ook gratis, kregen ze gratis brandhout of hoefden ze geen belasting te betalen.
Omdat er niet elke dat een executie was, hadden ze ook nog bijbaantjes nodig. Dat kon van alles zijn, maar waren altijd baantjes waar ook op neergekeken werd: schinder (vilder), belastinginners voor leprozen of hoeren, tweederangs arts, bordeelhouder, schoonmakers van beerputten.
Sociaal stigma
Tegenover dit behoorlijke inkomen stond echter een vreselijk sociaal stigma, wat beulen betreurenswaardige lieden maakte.
Mensen geloofden dat door een beul aan te raken of aangeraakt te worden of zelfs door het in de hand nemen van voorwerpen die door een beul aangeraakt waren, je zelf ook besmet werd met het onreine. Dus mensen liepen letterlijk met een grote boog om je heen. Beulen mochten op markten geen voedsel aanraken. Daartoe moesten ze een lange lepel gebruiken. Als ze belasting ophaalden, moesten mensen dat in hun zak laten vallen in plaats van in de hand te geven. In kroegen moesten ze uit aparte bekers drinken of werden ze helemaal niet bediend.
Die maatschappelijke isolatie werd nog verergerd, doordat ze vaak ook niet binnen de stadsmuren mochten wonen en dus onaantrekkelijke stukken grond daarbuiten kregen of naast gevangenissen. Ze moesten de kerk als laatste binnengaan en in een aparte bank zitten weg van de rest. Ze moesten duidelijke kleding dragen, waardoor ze onmiddellijk te herkennen waren, zodat mensen hen konden mijden.
Daarnaast werden hun vaak ook andere grondrechten onthouden. Ze mochten geen bestuursambten bekleden, ze mochten niet naar badhuizen, ze mochten vaak niet in gewijde grond begraven worden, hun kinderen mochten niet naar openbare scholen en ze mochten wettelijk alleen trouwen met familieleden van andere beulen, doodgravers of vilders.
Al dit veroorzaakte dat er in heel Europe beulsdynastieën ontstonden, waarin het beroep noodgedwongen erfelijk werd. Met geen ander carrièrepad open, kon een zoon vaak niets anders dan ook het bloedige werk van zijn vader opnemen.
Met tegenzin naar je werk
Velen haatten hun werk, maar zaten erin gevangen. En niet alleen vanwege het sociale stigma, maar ook omdat ze gruwden van wat ze moesten doen en de schuld steeds vaker op hen begon te wegen. Ik kan me zo voorstellen dat de meesten zwaar getraumatiseerd waren. Vaak probeerden ze eruit te stappen, maar dat lukte lang niet altijd.
Het was een vak dat vakkennis vereiste, want je moest niet alleen ophangen en onthoofden, maar ook gruwelijke martelingen (zoals radbraken) uitvoeren. Iemand mocht niet te snel sterven onder marteling. Je moest precies de nauwe ruimte tussen de nekwervels raken en een centimeter ernaast doet een onthoofding in één slag vaak al mislukken. Daartoe had men anatomische kennis nodig.
Maar het eiste een zware psychologische tol. Hoewel oude bronnen hier geen gewag van maakten, bewijzen jongere bronnen dat beulen dikwijls leden aan depressie, PTSS of mentale uitputting. Zeker zij die een gevoelig karakter hadden, zullen zwaar geleden hebben.
En wat doe je dan? Je staat die ochtend op en weet dat je weer een kermend wezen moet afslachten. Hoe ga je daarmee om? Bekende technieken zijn emotionele dissociatie, dus het verontmenselijken van je slachtoffer, compartimentering (het wegstoppen van het conflicterende gevoel in een apart, afgesloten vakje), rigide routines, sterke religieuze overtuiging… of drank.
Ja, het slachtoffer werd soms dronken gevoerd, zodat die minder tegenstribbelde en kermde. Een ‘slappe pop’ of ‘berustend persoon’ onthoofden is minder erg dan een handenwringend, wenend en smekend slachtoffer.
Maar er zijn ook genoeg voorbeelden bekend van beulen die zelf een slok te veel achterover geslagen hadden om de moed voor hun werk te vinden. Dat blijkt wel uit het feit dat sommige steden het nodig vonden om regels op te stellen om toe te zien op de alcoholrantsoenen die beulen vlak voor een executie of marteling kregen.
De Sansons
Misschien is dit wel de meest beroemde beulsdynastie, omdat één van de leden in Parijs diende tijdens de Franse Revolutie.
De stamvader was Charles Sanson (1658-1695). Hij diende in het leger, trouwde een beulsdochter en werd later aangewezen als beul voor Parijs. Daarna volgde zijn oudste zoon Charles Sanson II (1681-1726), die de beruchte bandiet Cartouche terechtstelde. Hij begon zijn vader te assisteren toen hij 14 was en nam het werk vier jaar later over.
Jean-Baptiste Sanson (1719-1788) zag als kind van 7 al alle mogelijke soorten marteling. Hij was toen namelijk zijn vader in functie officieel opgevolgd, hoewel hij het pas later in praktijk ging brengen. Hij voerde zijn eerste executie uit toen hij 18 was. in 1754 werd hij half verlamd, zodat hij het stokje over moest dragen aan zijn zoon.
Deze zoon Charles-Henri Sanson (1739-1806) is degene die voor het eerst de guillotine gebruikte. Hij executeerde verder Louis XVI, Marie-Antoinette, Charlotte Corday, Danton, madame Dubarry en Robespierre. Hij overzag 2918 executies.
Zijn zoon Henri Sanson (1767-1840) nam in 1795 zijn plek over. Hij had hem daarvoor al geassisteerd en stelde onder andere Fouquier-Tinville terecht.
De laatste uit deze familie was diens zoon Henri-Clément Sanson (1799-1889), die in 1847 ontslagen werd.
De langstzittende, de slechtste en de beste
Ik weet niet zeker of Giovanni Battista Bugatti of Mastro Titta (1779-1869) werkelijk de langste beulscarrière had, maar ik denk het haast wel. hij begon al op zijn 16e en werkte 68 jaar voor de Pauselijke Staat, waarin hij 514 executies uitvoerde, merendeels met de guillotine. Als bijverdienste beschilderde hij parasols voor toeristen.
Evenmin weet ik of John Ketch (overleden 1686) de slechtste beul ooit was, maar hij had wel de naam. Door twee beroemde, verprutste onthoofdingen, werd zijn naam synoniem voor dood, Satan en beulen in het algemeen.
Eén van de beste is Franz Schmidt (1555-1634) uit Nuremberg, die werkte van 1578 tot 1617. Hij hield een gedetailleerd dagboek bij van elke executie (met zwaard, touw, rad, vuur of verdrinking) en andere straffen. In totaal voerde hij 361 executies uit en 345 afranselingen met de zweep en afhakken van oor of vinger. De brandstapel hoefde hij maar twee keer op te tasten.
Hij had geen goed woord over voor beulen die hun vak niet verstonden, of er met de pet naar gooiden, of dronken waren. Hij had zelden een tweede slag nodig. Mede op zijn voorspraak werd verdrinking meestal omgezet in executie door zwaard.
Hij was op zijn 18e begonnen onder zijn vaders supervisie. Vader Heinrich was niet vrijwillig beul geworden. Hij was een houthakker en werd tegen zijn wil op een dag aangewezen en zat er toen aan vast en begon zo één van de vele dynastieën. Franz’ schoonvader was uiteraard ook beul. Zijn salaris stond gelijk aan dat van de rijkste juristen en hij woonde in een ruim huis in de stad zelf.
Bijzonder is dat hij na zijn pensionering in 1617 zich toelegde op werk als medisch consulent en uiteindelijk van de keizer het privilege kreeg om weer een ‘eerlijk’ lid van de maatschappij te zijn, waardoor hij het stigma van zijn familie ophief. In 1634 werd hij met alle opsmuk begraven.
De uitvinder, de gemaskerde en de man van de korte val
Thomas Derrick (eind 16e eeuw) was een matroos in de Engelse vloot. Na de plundering van Cádiz werd hij met 23 anderen veroordeeld tot de strop voor verkrachting. Aangezien geen van de andere soldaten bereid was de straf uit te voeren, bood de Graaf van Essex hem gratie als hij de andere zou ophangen.
Dat deed hij en met bijna schokkende efficiëntie: hij gebruikte juffer- of talieblokken om de mannen aan de ra’s op te knopen.
Eenmaal beul in Tyburn stelde hij ruim 3000 mensen terecht, onder wie, zoals boven genoemd, ook de Graaf van Essex. Als edelman mocht die zijn eigen methode van executie kiezen en hij koos voor de bijl. Helaas voor hem was Derrick daar niet aan gewend en verprutste de onthoofding, mogelijk ook door zenuwen.
Maar hij was wel vernieuwend. Al sinds 1388 werden mensen simpel opgehangen door een touw over een balk te gooien. Als de ex-matroos die hij was, bedacht hij een balk met een kraanlijn en katrollen, wat minder inspannend voor de beul was. Rond 1610 ontwierp hij een galg waarmee meer dan 12 mensen tegelijk opgehangen konden worden.
Hierdoor werd het woord derrick gebruikt voor het raamwerk waaraan de strop hangt en daardoor uiteindelijk ook voor de derrickkraan.
Richard Brandon (overleden 1649), bijgenaamd Young Gregory, was de beul van London van 1639 tot 1649 in navolging van zijn vader Gregory Brandon. Al jong oefende hij voor zijn latere beroep door het onthoofden van zwerfkatten en -honden. Zowel vader en zoon waren wellicht geen lekkertjes, want Gregory werd opgepakt voor moord (hoewel hij gratie kreeg) en zoon wist onder twee aanklachten van bigamie uit te komen.
Hij kreeg veel beroemde gasten onder zijn bijl aangezien hij leefde tijdens de Burgeroorlog. In 1641 onthoofde hij bijvoorbeeld Thomas Wentworth, Graaf van Strafford, en in 1645 William Laud, de aartsbisschop van Canterbury.
Het is niet bekend wie koning Charles I in 1649 onthoofde, want beul en assistent gingen vermond met vaste pruiken en baarden en maskers. Maar er zijn wel aanwijzingen dat het Brandon was, vooral omdat de onthoofding zeer precies met één slag werd uitgevoerd wat wijst op iemand met ervaring. En Brandon had die en was trots op hoe hij met een bijl om kon gaan. Bovendien schijnt hij rond die tijd ineens 30 pond rijker geweest te zijn. En hij had al andere royalisten onthoofd, dus zat er misschien ook niet zo mee een koning aan het illustere rijtje toe te voegen.
In de paar maanden tot zijn dood onthoofde hij verder nog de Henry Rich, Graaf van Holland, baron Arthur Capell en de hertog van Hamilton.
Een sinister figuur was William Calcraft (1800-1879). In 45 jaar hing hij ongeveer 450 mensen op. Hij werd berucht vanwege zijn controversiële manier van ophanging, namelijk de korte val, waardoor slachtoffers langzaam werden gewurgd in plaats van hun nek te breken.
Hij had vaak tienduizenden toeschouwers en daar waar andere beulen vaak teruggetrokken leefden, leek hij zich te wentelen in de aandacht en leek niet gebukt te gaan onder het feit dat velen hem incompetent vonden. Maar omdat de executie nu een paar minuten duurde en Calcraft er soms een show van maakte door met weinig gevoel voor esthetica aan de benen van het slachtoffer te slingeren of op hun schouders te klimmen in een poging hun nek te breken. Hij verprutste menige ophanging.
En een vrouw
Beulen waren eigenlijk altijd mannen, ook toen er geen fysieke, brute kracht meer voor benodigd was. Een van de zeer zeldzame uitzonderingen is Elizabeth Sugrue (Éilis Uí Shiochrú) or Lady Betty (c.1740/1750-1807).
Betty had geen gemakkelijk leven. Toen haar man stierf, werd ze zonder inkomen met twee kleine kinderen uit huis gezet, geen ongewone gebeurtenis in het Ierland van toen. Op de lange voettocht van 300 km naar Roscommon stierf haar jongste kind aan honger en kou.
Ze had een gewelddadig karakter en uiteindelijk liep haar zoon van huis weg, mogelijk om het leger in te gaan. Ze werd een bittere vrouw. In 1780 vermoordde ze één van haar huurders voor zijn bezittingen. Toen ze die doorzocht, ontdekte ze dat hij haar zoon was, die ze al zo lang niet had gezien en zo gemist had. Ze werd ter dood veroordeeld.
Op de dag van haar executie was de beul ziek en zij bood zich vrijwillig aan de andere 25 slachtoffers van die dag op te hangen als ze gratie kreeg. Vanaf dat moment woonde ze in de gevangenis en was verantwoordelijk voor de ophangingen en geselingen. Ze maakte houtskooltekeningen van degenen die ze opgehangen had op de muren van haar verblijf. Uiteindelijk zou ze meer dan 100 mensen ter dood brengen.
Ophijsen of laten vallen?
Oorspronkelijk werd een slachtoffer, die veroordeeld was tot ophanging, opgehesen. Een touw werd over een balk (of boomtak) gegooid en daarna trok men de veroordeelde omhoog, wat tot een lange doodsstrijd leidde. Soms stond de misdadiger op een ladder of kar, die weggetrapt of weggereden werd, wat ook tot langzame verwurging leidde.
In 1760 werd voor het eerst een valmechanisme van een schavot ingevoerd. Dit was in Engeland bij de executie van Earl Ferrers. Dit was nog geen valluik, maar een soort kist die in de vloer verzonk. Aan het einde van de eeuw was dat geëvolueerd in de ‘new drop’ galg met het welbekende valluik. Maar deze ‘short drop’ was maar 30-45 cm, wat zelden genoeg was om de nek te breken.
In 1866 publiceerde de Ierse arts Samuel Haughton de eerste wetenschappelijke berekeningen voor een ‘standard drop’. Nu viel het slachtoffer 120-180 cm met een snellere dood tot gevolg. Dat leidde in 1872 tot de ‘long drop’, geïntroduceerd door de beul William Marwood. Die was tot de realisatie gekomen dat de lengte van de val aangepast moest zijn aan het gewicht van het slachtoffer. Een zwaarder iemand had een kortere val nodig (bij een te lange val zou hij onthoofd worden), een lichter iemand een langere (of anders brak de nek niet). In 1874 werd de ‘long drop’ de officiële universele standaard in heel Groot-Brittannië en haar territoria.
In Frankrijk speelde dit niet, omdat daar de guillotine de standaardmethode was. In Spanje was ophanging ook afgeschaft (1812/1813) en vervangen door de wurgpaal. Ook Nederland en Duitsland hadden tegen die tijd ophanging al afgeschaft. In de USA werd nog wel opgehangen, maar daar was geen standaard, zodat er een lappendeken aan methodes was.
Armzalige lieden
Er zullen ongetwijfeld beulen geweest zijn, toen en nu, die het voor hun plezier deden (of doen), maar over het algemeen kun je zeggen dat de beroepsbeulen die voor justitie werkten, geen gemakkelijk of prettig leven hadden. We zouden hen moeten bewenen in plaats van onze neus voor hen op te halen, zoals men vroeger deed.
Trouwens, vergeet het stereotiep van de in een zwarte pij-achtige mantel en zwarte kap geklede beul. Dat is een fabeltje uit de 19e eeuw, zoals die eeuw wel met meer fabeltjes op de proppen kwam (zoals de hoorns op Vikinghelmen). Een beul droeg gewone kleren, alleen met een duidelijk kenmerk.
En nog een laatste ding. Als we het over onthoofding hebben, zien we altijd iemand voor ons die knielt met zijn hoofd op een blok. Dat klopt… als het met een bijl gedaan werd. Werd het zwaard gebruikt, dan knielde het slachtoffer rechtop, zodat de slag horizontaal kwam.
Onthoofding was meer eervol dan een andere manier van executie en dus meestal voorbehouden aan adel. Of de bijl of het zwaard gebruikt werd, was een regionale ‘smaak’. In Engeland ging men liever voor de bijl, in Duitsland liever voor het zwaard en Frankrijk leek niet te kunnen kiezen of het geen fluit uit te maken.
Overigens stierf deze methode maar langzaam uit, zelfs na invoering van de guillotine. In Zwitserland onthoofde men met het zwaard tot in de late 1860s, in Zweden was de laatste bijlonthoofding pas in 1900.
To put your neck on the block
(Original title literal translation: As cheeky as the executioner, meaning As brazen as brass)
The executioner… Few professions sound so unpleasant… or are. When we think of executioner, we think of a man with a hood who was happy to hurt people with great sadism and was also paid for it. We think it attracted psychopaths or that they were mentally handicapped. But the reality is different and also much sadder…
For a long time, executioner did not exist as a separate profession. Executions were once carried out by the lord of the country, captains of the guard, knackers, or the aggrieved party himself. The first time an official executioner is mentioned is in 1276 in Augsburg. So, it is a relatively young profession.
Why did it become a separate profession? Because the deliberate killing of people was seen as unchristian. In addition, dealing with corpses was seen as religiously unclean. Everyone who had to deal with this was looked down upon, had a stigma. This applied to knackers (someone who skinned and disposed of deceased animals) and butchers, but especially when it came to dead people. And the gentlemen counts, reeves and captains literally did not want to get their hands dirty with that.
And so the executioner came into being.
Substantial rewards
But no one was keen to do it, because they became unclean in spirit and body and faced quite severe social restrictions. So if a city did not have an executioner (which was often the case) and no one could be called from another place, then someone was appointed. This was often a soldier or someone who was already a disposable item in society, such as butchers, but even more often a criminal, who sometimes received a pardon for it.
Since no one wanted to do it, it didn’t pay badly. To put it bluntly, an executioner earned 16-25 times more per execution than a craftsman in a single day, while if you were lucky enough to behead a celebrity, you often got huge bonuses, on top of what family sometimes gave you if you did your job well with one blow.
Because don’t think that every executioner understood his profession equally well. If you were unlucky enough to meet a novice or someone who had no talent for it or was even drunk (which we will come back to later), then the beheading, which was not too pleasant anyway, could become a real torture massacre.
There are plenty of examples of this.
- 1540: A deliberately chosen inexperienced executioner also needed several blows to behead Thomas Cromwell.
- 1587: The first blow that was supposed to behead Mary Stuart of Scotland hit the rear of her head. The second was better placed, but still not sufficient, so the axe had to be used as a saw for the last piece.
- 1601: Thomas Derrick was a friend of the victim, Robert Devereux, Earl of Essex, and was so emotional that he needed 3 strokes.
- 1635: Jack Ketch was also paid extra (in advance, not so smart), but needed five blows with the axe and eventually had to use his knife to complete the Duke of Monmouth’s beheading.
- 1683: Jack Ketch again. And again paid in advance. This time the victim was Lord William Russell (after all, you can’t behead someone twice). And Ketch missed and hit the side of the head instead of the neck.
- 1766: Jean-Baptiste Sanson had a shaky hand from an injury, and the first sword blow hit the jaw of Thomas Arthur, Earl of Lally-Tollendal. His son Charles-Henri Sanson had to take over.
And I’m not even talking about fiddling with nooses. The story is nauseating enough as it is.
Side income and side jobs
In addition to the fixed salary, there was quite a bit of additional income, which ensured that an executioner had a secure financial existence. First of all, there was the Droit de Havage, which in Dutch was called lepelrecht, scheprecht or beulsmarktrecht and in German Metzenrecht or Metzgeld. It gave the executioner the right to scoop a certain amount of food (grain, bread, eggs, fish) out of the bags of merchants at the weekly market as a tax in kind.
This right did not exist in England, but there they were often allowed to demand the clothing of the condemned person, for example. Often, they also lived for free, received free firewood or did not have to pay taxes.
Because there was not an execution every day, they also needed side jobs. These could be anything, but were always jobs that were also looked down upon: knackers (skinners), tax collectors for lepers or whores, second-rate doctor, brothel owner, cleaners of cesspools.
Social stigma
However, this decent income was offset by a terrible social stigma, which made executioners deplorable people.
People believed that by touching or being touched by an executioner or even by taking objects that had been touched by an executioner, you yourself were also infected with the unclean. So people literally gave you a wide berth. Executioners were not allowed to touch food in markets. To do this, they had to use a long spoon. When they collected taxes, people had to drop it in their pockets instead of giving it in the hand. In pubs they had to drink from separate cups or were not served at all.
This social isolation was exacerbated by the fact that they were often not allowed to live within the city walls and were therefore given unattractive plots of land outside or next to prisons. They had to enter the church last and sit in a separate pew away from the rest. They had to wear distinctive clothing, which made them immediately recognizable, so that people could avoid them.
In addition, they were often denied other fundamental rights. They were not allowed to hold administrative positions, they were not allowed to go to bathhouses, they were often not allowed to be buried in consecrated ground, their children were not allowed to go to public schools, and they were legally only allowed to marry relatives of other executioners, gravediggers or skinners.
All this created executioner dynasties to arise throughout Europe, in which the profession was forced to become hereditary. With no other career path open, a son often had no choice but to take on his father’s bloody work.
Reluctant to go to work
Many hated their work, but were trapped in it. And not only because of the social stigma, but also because they were horrified by what they had to do and the guilt began to weigh on them more and more. I can imagine that most of them were severely traumatized. They often tried to get out, but that didn’t always work.
It was a profession that required professional knowledge, because you not only had to hang and behead, but also carry out gruesome torture (such as breaking on the wheel). Someone was not allowed to die too quickly under torture. You had to hit exactly the narrow space between the cervical vertebrae and a centimetre next to it often makes a decapitation fail in one blow. To do this, anatomical knowledge was needed.
But it took a heavy psychological toll. Although old sources made no mention of this, younger sources prove that executioners often suffered from depression, PTSD or mental exhaustion. Certainly, those who had a sensitive character will have suffered greatly.
And what do you do then? You get up that morning and know that you have to slaughter another moaning creature. How do you deal with that? Well-known techniques are emotional dissociation, i.e. dehumanizing your victim, compartmentalization (hiding the conflicting feeling in a separate, closed box), rigid routines, strong religious convictions… or booze.
Yes, the victim was sometimes fed drunk, so that he resisted and groaned less. Beheading a ‘limp doll’ or ‘resigned person’ is less bad than a victim wringing his hands, crying and begging.
But there are also plenty of examples of executioners who had knocked back a dram too much to find the courage for their work. This is evidenced by the fact that some cities found it necessary to draw up rules to monitor the alcohol rations those executioners received just before an execution or torture.
The Sansons
Perhaps this is the most famous executioner dynasty, because one of its members served in Paris during the French Revolution.
The ancestor was Charles Sanson (1658-1695). He served in the army, married an executioner’s daughter and was later appointed executioner for Paris. He was followed by his eldest son Charles Sanson II (1681-1726), who executed the notorious bandit Cartouche. He began assisting his father when he was 14 and took over the work four years later.
Jean-Baptiste Sanson (1719-1788) saw all kinds of torture as a child of 7. He had officially succeeded his father in office, although he only started to put it into practice later. He carried out his first execution when he was 18. In 1754 he was semi-paralyzed, so he had to hand over the baton to his son.
This son Charles-Henri Sanson (1739-1806) is the one who first used the guillotine. He also executed Louis XVI, Marie-Antoinette, Charlotte Corday, Danton, Madame Dubarry and Robespierre. He oversaw 2918 executions.
His son Henri Sanson (1767-1840) took over his place in 1795. He had already assisted him before and executed Fouquier-Tinville, among others.
The last member of this family was his son Henri-Clément Sanson (1799-1889), who was dismissed in 1847.
The longest-serving, the worst and the best
I’m not sure if Giovanni Battista Bugatti or Mastro Titta (1779-1869) really had the longest executioner career, but I do think so. He started at the age of 16, and worked for the Papal States for 68 years, during which he carried out 514 executions, mostly by guillotine. As a side income, he painted parasols for tourists.
Nor do I know if John Ketch (died 1686) was the worst executioner ever, but he did have the name. Through two famous, botched beheadings, his name became synonymous with death, Satan and executioners in general.
One of the best is Franz Schmidt (1555-1634) from Nuremberg, who worked from 1578 to 1617. He kept a detailed diary of every execution (by sword, rope, wheel, fire or drowning) and other punishments. In total, he carried out 361 executions and 345 whippings and cutting off the ear or finger. He only had to pile up the pyre twice.
He didn’t have a good word to say about executioners who didn’t understand their profession, or half-assed it, or were drunk. He rarely needed a second blow. Partly through his intercession, drowning was usually converted into execution by sword.
He had started at the age of 18 under his father’s supervision. Father Heinrich had not voluntarily become an executioner. He was a woodcutter and was appointed one day against his will and then stuck with it and started one of the many dynasties. Franz’s father-in-law was of course also an executioner. His salary was equal to that of the richest lawyers, and he lived in a spacious house in the city itself.
Remarkably, after his retirement in 1617, he devoted himself to work as a medical consultant and was eventually granted the privilege by the emperor to be an ‘honest’ member of society again, thus removing the stigma of his family. In 1634 he was buried with all his finery.
The inventor, the masked and the man of the short drop
Thomas Derrick (late 16th century) was a sailor in the English fleet. After the sacking of Cádiz, he and 23 others were sentenced to the noose for rape. Since none of the other soldiers were willing to carry out the punishment, the Earl of Essex pardoned him if he would hang the others.
He did so and with almost shocking efficiency: he used deadeyes or tackle blocks to hang the men from the yards.
Once executioner in Tyburn, he executed more than 3000 people, including, as mentioned above, the Earl of Essex. As a nobleman, he was allowed to choose his own method of execution and he chose the axe. Unfortunately for him, Derrick was not used to that and messed up the beheading, possibly also due to nerves.
But it was innovative. Since 1388, people had been hanged simply by throwing a rope over a beam. Being the ex-sailor that he was, he devised a beam with a crane line and pulleys, which was less strenuous for the executioner. Around 1610 he designed a gallows with which more than 12 people could be hanged at the same time.
As a result, the word derrick was used for the framework on which the noose hangs and therefore ultimately also for the derrick crane.
Richard Brandon (died 1649), nicknamed Young Gregory, was the executioner of London from 1639 to 1649 in the footsteps of his father Gregory Brandon. At a young age, he practiced for his later profession by beheading stray cats and dogs. Both father and son may not have been sweeties, because Gregory was arrested for murder (although he was pardoned) and son managed to get out of two charges of bigamy.
He received many famous guests under his axe as he lived during the Civil War. In 1641, for example, he beheaded Thomas Wentworth, Earl of Strafford, and in 1645 William Laud, the Archbishop of Canterbury.
It is not known who beheaded King Charles I in 1649, because the executioner and assistant were covered with fixed wigs and beards and masks. But there are indications that it was Brandon, especially since the beheading was carried out very precisely with one blow, which indicates someone with experience. And Brandon had that and was proud of how he could handle an axe. Moreover, he suddenly seemed to have been 30 pounds richer around that time. And he had already beheaded other royalists, so perhaps may had felt little pangs to add a king to the illustrious list.
In the few months until his death, he also beheaded Henry Rich, Earl of Holland, Baron Arthur Capell and the Duke of Hamilton.
A sinister figure was William Calcraft (1800-1879). In 45 years, he hanged about 450 people. He became notorious for his controversial way of hanging, namely the short drop, which slowly strangled victims instead of breaking their necks.
He often had tens of thousands of spectators and where other executioners often lived in seclusion, he seemed to wallow in the attention and did not seem to be weighed down by the fact that many considered him incompetent. But because the execution now lasted a few minutes and Calcraft sometimes made a show of it by swinging from the victim’s legs or climbing on their shoulders in an attempt to break their necks with little sense of aesthetics. He messed up many a hanging.
And a woman
Executioners were actually always men, even when they no longer required physical, brute force. One of the very rare exceptions is Elizabeth Sugrue (Éilis Uí Shiochrú) or Lady Betty (c.1740/1750-1807).
Betty did not have an easy life. When her husband died, she was evicted from home with two small children without income, not an unusual occurrence in Ireland at the time. On the long 300 km walk to Roscommon, her youngest child died of hunger and cold.
She had a violent character and eventually her son ran away from home, possibly to join the army. She became a bitter woman. In 1780, she murdered one of her tenants for his possessions. When she searched his pockets, she discovered that he was her son, whom she had not seen for so long and had missed so much. She was sentenced to death.
On the day of her execution, the executioner was ill and she volunteered to hang the other 25 victims of that day if she was pardoned. From that moment on, she lived in prison and was responsible for the hangings and floggings. She made charcoal drawings of the ones she had hung on the walls of her residence. In the end, she would put more than 100 people to death.
Hoist or drop?
Originally, a victim, who had been sentenced to hang, was hoisted up. A rope was thrown over a beam (or tree branch) and then the condemned man was pulled up, which led to a long agony. Sometimes the criminal stood on a ladder or cart, which was kicked or driven away, which also led to slow strangulation.
In 1760, a falling mechanism on a scaffold was introduced for the first time. This was in England at the execution of Earl Ferrers. This was not yet a trapdoor, but a kind of chest that sank into the floor. At the end of the century, this had evolved into the ‘new drop’ gallows with the well-known trapdoor. But this ‘short drop’ was only 30-45 cms, which was rarely enough to break the neck.
In 1866, the Irish physician Samuel Haughton published the first scientific calculations for a ‘standard drop’. Now the victim fell 120-180 cms, resulting in a faster death. This led to the ‘long drop’ in 1872, introduced by the executioner William Marwood. He had come to the realization that the length of the fall had to be adapted to the weight of the victim. A heavier person needed a shorter fall (if the fall was too long, he would be decapitated), a lighter person a longer one (or else the neck would not break). In 1874, the ‘long drop’ became the official universal standard throughout Britain and its territories.
This did not apply to France, because the guillotine was the standard method there. In Spain, hanging was also abolished (1812/1813) and replaced by the strangulation pole. The Netherlands and Germany had also abolished hanging by that time. In the USA they still hung criminals, but there was no standard, so there was a patchwork of methods.
Pitiable people
There will undoubtedly have been executioners, then and now, who did (or do) it for fun, but in general you can say that the professional executioners who worked for the judiciary did not have an easy or pleasant life. We should mourn them instead of turning our noses up at them, as they used to do.
By the way, forget the stereotype of the executioner dressed in a black robe-like cloak and black hood. That is a fable from the 19th century, as that century came up with more myths (such as the horns on Viking helmets). An executioner wore ordinary clothes, only with a distinctive feature.
And one last thing. When we talk about beheading, we always picture someone kneeling with their head on a block. That’s right… if it was done with an axe. If the sword was used, the victim knelt upright, so that the blow was horizontal.
Beheading was more honourable than any other method of execution and therefore usually reserved for nobility. Whether the axe or the sword was used was a regional ’taste’. In England they preferred to go for the axe, in Germany they preferred the sword and France seemed unable to choose or to give a damn.
Incidentally, this method died out only slowly, even after the introduction of the guillotine. In Switzerland, beheading was done with the sword until the late 1860s, in Sweden the last axe decapitation was not until 1900.







Comments (1)
Een interessant verhaal! Vooral de gemarkeerde kleding en het ontbreken van de kap (waarom ik de kap wel in mijn hoofd had, maar het pij-achtige niet, weet ik niet) waren boeiend om te lezen. En een verprutste executie… brrr… Dank voor het schrijven!