Muzen
Ik geef het toe, de titel klinkt wat oubollig en overmatig poëtisch. En ik ben niet zo van de poëzie. Een boertige tekst voor een schuin kroeglied lukt me nog wel, maar iets van enige kwaliteit zal niet uit mijn vingers komen, vrees ik. Maar goed, “mijn Muzen” is weer eens iets anders dan “mijn inspiratie”, wat een beetje sleets geraakt is door mijn vorige blogs.
Bruintje Beer
Dus mijn Muzen. Want wie zijn mijn Muzen? Ik had al geschreven dat mijn vader een grote inspiratiebron was (daar is-ie weer, het i-woord), maar uiteraard heb ik ook literaire voorbeelden. Niet dat ik vind dat ik waardig in hun voetsporen kan treden. Dat is geen valse bescheidenheid. Helaas zal ik hun niveau nooit halen, maar ze prikkelen wel mijn fantasie en drijven me ertoe te blijven schrijven.
Noch zijn zij de enigen, want ik heb veel gelezen, van Dickens tot Multatuli, van Molière tot Cervantes, van Camões tot Lindgren, van Vergilius tot Burns, en van Hesse tot Homeros, en ik mag het grote voorrecht smaken vele daarvan in de originele taal, aangezien bij elke vertaling, hoe goed ook, altijd wat verloren gaat. Maar een aantal van deze schrijvers heeft me meer geraakt dan enig ander en heeft me beïnvloed in keuze van onderwerp en stijl.
Mijn allereerste Muze was Mary Tourtel. Waarschijnlijk zegt de naam niet iedereen iets, maar ze is de schrijfster van Rupert the Bear, of, zoals hij in het Nederlands heet, Bruintje Beer. Ik heb ze stuk gelezen en heb in het kader van melancholie (dat krijg je als je een bepaalde leeftijd bereikt) onderlaatst de ontbrekende delen ook aangeschaft. En ik beken dat ik ze stiekem af en toe nog lees. (Edit 2026: En dat ze tijdloos zijn, bewijst wel het feit dat mijn zevenjarige kleinzoon ze nu ook leuk vindt.)
Fantastisch vond ik het, hoe allerlei sprookjes- en fantasy-elementen schaamteloos in één verhaal gepropt werden, met een flinke vleug geschiedenis, van reuzen en kannibalen (men was toen nog niet politiek correct), piraten en dwergen, elfen en cowboys, Indianen en pratende dieren, tovenaars, heksen en ontdekkingsreizigers, struikrovers en bedoeïenen, prinsessen, feeën en betoverde voorwerpen. Toverwezens werden gekoppeld aan bestaande beroepen en volkeren, ze trok zich er niets van aan dat cowboys niet thuishoren in een sprookje. Ze tekende (ja, de tekeningen zijn fan-tas-tisch) een heerlijke wereld vol magie en avontuur.
Mijn allergrootste Muze is echter J.R.R. Tolkien. Nee, niet erg origineel, maar de waarheid. Mijn oudste dochter (1990) heet niet voor niets Arwen. The Lord of the Rings werd me aangeraden door mijn toenmalige leraar Grieks en Latijn, meester Brugman, die helaas te vroeg is overleden. “Dat is net iets voor jou,” zei hij en dus toog ik naar de bibliotheek en heb de boeken in één adem uitgelezen. Ik was meteen verslaafd. Ik weet nog hoe ik met tranen in mijn ogen de klas inkwam en hem smeekte me uit mijn lijden te verlossen en te zeggen of Gandalf écht dood was (dat was nog voor het tijdperk waarin je alles kon googlen). Gelukkig kon hij me geruststellen.
De vraag is dan waarom ik geen fantasy schrijf. Wel, ik heb die aspiraties nog wel, maar durf het nog niet goed aan. De meester staat op zo’n ongekende hoogte dat ik bang ben nooit tevreden te kunnen zijn met het eindresultaat.
Talen en stambomen
Maar twee kenmerken van zijn verhalen zijn al wel in mijn boeken geslopen: talen en stambomen. Tolkien heeft het Elfs gecreëerd en is ook niet bang om het te gebruiken. Ik heb ook de neiging mijn verhalen te doorspekken met woorden of zinnen passend bij de streek en periode waarin het verhaal zich afspeelt voor meer “couleur locale” en sfeertekening, en ik ben zeker van plan dat als ik me ooit waag aan fantasy, ik zeker een eigen taal ga ontwikkelen, al is het maar voor de leut.
Achter in The Lord of the Rings staan uitgebreide stambomen. Niet nodig voor het verhaal, maar voor mij van grote waarde. Waarom? Geen idee. Al als jong meisje ploos ik koninklijke dynastieën uit en als tiener ben ik begonnen mijn eigen stamboom uit te zoeken. Vaak creëer ik eerst de stamboom van de hoofdpersoon en ga dan pas schrijven. Stambomen geven me vaak een zee van ideeën voor intriges.
Andere schrijvers wier boeken ik met veel plezier lees en die ook aan deze “kwaal” lijden, zijn George R.R. Martin en James Michener. Ik bevind me dus in hooggeëerd gezelschap. Dat leidt er wel toe dat er vaak veel personages in mijn boeken zitten, wat niet iedereen aangenaam vindt, maar ik weet niet hoe ik het anders moet doen. Pas in Kwaggakoppie is het me gelukt het bij een klein aantal te houden.
Van Dumas tot Cornwell
Alexandre Dumas en Rafael Sabatini zijn voor mij dé avonturen- en historische romanschrijvers bij uitstek. Wie kent niet De Drie Musketiers en De Graaf van Monte-Cristo of Scaramouche en Captain Blood? Uiteraard maakt Sir Walter Scott dit driemanschap compleet met onder andere Waverley en Ivanhoe.
De liefde voor verhalen die zich afspelen op oorlogsschepen werd gewekt door de Hornblower-serie van C.S. Forester en die voor Middeleeuwse detectives door de Cadfael-serie van Ellis Peters. Ik ben ook een enorm fan van westerns, maar vreemd genoeg heb ik daar geen auteur die er voor mij met kop en schouders bovenuit steekt. Ik heb tientallen boeken gelezen, van goedkope pulp magazines tot bestsellers, maar ik zou niet één enkele schrijver kunnen noemen die voor mij hét voorbeeld van dit genre is.
Ten slotte zijn er twee hedendaagse schrijvers van wie ik (bijna) alles in de kast heb. De eerste is Jean Marie Auel, naar wier hoofdpersonage Ayla we onze tweede dochter (1991) genoemd hebben. Ondanks dat ze na het eerste briljante boek de kwaliteit niet vast kon houden, heeft ze me bijzonder geïnspireerd.
Maar mijn op één na grootste Muze is zonder enige twijfel Bernard Cornwell, van wie ik de kunst probeer af te kijken hoe je oorlogsverhalen schrijft die je niet weg kunt leggen. Zijn Sharpe– (Napoleontische Oorlogen), Starbuck– (Amerkaanse Burgeroorlog) en Uhtred-series (strijd tussen de Vikingen en Angelsaksen) kan ik keer op keer opnieuw lezen en nooit verveeld raken. Als een schrijver me verliefd kan laten worden op zijn papieren hoofdpersoon (aan jullie de quizvraag welke van de drie dat dan was), dan sta je voor mij bovenaan mijn lijst van favoriete auteurs.
Zei ik al dat ik niet van poëzie hield? Ik zou daar één enkele heel grote uitzondering op willen maken. Er is één gedicht dat me steeds weer in tranen brengt, een gedicht dat in mijn ogen de oorlog beter vertolkt dan welk ander, met een magisch ritme dat past bij het onderwerp, een aanklacht en weeklacht tegelijk. Als ik toch ooit eens zoiets mocht schrijven als The Charge of the Light Brigade van Alfred, Lord Tennyson…
My Muses
Muses
I admit it, the title sounds a bit corny and overly poetic. And I’m not really into poetry. I can just manage a jocular lyric for an bawdy pub song, but I fear that something of any quality will not flow from my quill. Anyway, “my Muses” is something different than “my inspiration”, which has become a bit worn out by my previous blogs.
Rupert Bear
So my Muses. For who are my Muses? I had already written that my father was a great source of inspiration (there it is again, the i-word), but of course I also have literary examples. Not that I think I can follow in their footsteps with any dignity. That’s not false modesty. Unfortunately, I will never reach their level, but they do stimulate my imagination and drive me to keep writing.
Nor are they the only ones, for I have read much, from Dickens to Multatuli, from Molière to Cervantes, from Camões to Lindgren, from Virgil to Burns, and from Hesse to Homer, and I may enjoy the great privilege of many of them in the original language, since in every translation, however good, something is always lost. But a number of these writers have touched me more than any other and have influenced me in my choice of subject and style.
My very first Muse was Mary Tourtel. The name probably doesn’t ring a bell with everyone, but she is the author of Rupert the Bear. I’ve read them over and over again until they got worn out and in the context of melancholy (that’s what you get when you reach a certain age) I recently bought the missing parts as well. And I confess that I still secretly read them from time to time.
I thought it was fantastic how all kinds of fairy tale and fantasy elements were shamelessly crammed into one story, with a good touch of history, of giants and cannibals (people were not politically correct at the time), pirates and dwarves, elves and cowboys, Indians and talking animals, wizards, witches and explorers, highwaymen and Bedouins, princesses, fairies and enchanted objects. Magical creatures were linked to existing professions and peoples, she didn’t care that cowboys don’t belong in a fairy tale. She drew (yes, the drawings are fan-tas-tic) a wonderful world full of magic and adventure.
My greatest Muse, however, is J.R.R. Tolkien. No, not very original, but the truth. My eldest daughter (1990) is called Arwen for a reason. The Lord of the Rings was recommended to me by my Greek and Latin teacher at the time, Master Brugman, who unfortunately passed away too early. “That’s just the thing for you,” he said, and so I went to the library and read the books in one breath. I was instantly hooked. I still remember coming into the classroom with tears in my eyes and begging him to put me out of my misery and tell me if Gandalf was really dead (that was before the era when you could Google anything). Fortunately, he was able to reassure me.
The question then is why I don’t write fantasy. Well, I still have those aspirations, but I don’t dare to do it yet. The master is at such an unprecedented height that I am afraid I will never be satisfied with the final result.
Languages and family trees
But two features of his stories have already crept into my books: languages and family trees. Tolkien created Elvish and is not afraid to use it. I also tend to intersperse my stories with words or phrases appropriate to the region and period in which the story takes place for more “couleur locale” and painting the right atmosphere, and I certainly intend that if I ever venture into fantasy, I will definitely develop a language of my own, if only for fun.
In the appendixes of The Lord of the Rings there are extensive family trees. Not necessary for the story, but of great value to me. Why? I don’t know. As a young girl, I explored royal dynasties, and as a teenager I started researching my own family tree. Often I create the family tree of the main character first and only then start writing. Family trees often give me a sea of ideas for intrigue.
Other writers whose books I read with great pleasure and who also suffer from this “ailment” are George R.R. Martin and James Michener. So I am in highly honored company. That does lead to the fact that there are often a lot of characters in my books, which not everyone likes, but I don’t know how else to do it. It was only in Kwaggakoppie that I managed to stick to a small number.
From Dumas to Cornwell
For me, Alexandre Dumas and Rafael Sabatini are the ultimate writers of adventure and historical novels. Who doesn’t know The Three Musketeers and The Count of Monte-Cristo or Scaramouche and Captain Blood? Of course, Sir Walter Scott completes this triumvirate with, among others, Waverley and Ivanhoe.
The love for stories set on warships was sparked by C.S. Forester’s Hornblower series and that for medieval detectives by Ellis Peters’ Cadfael series. I’m also a huge fan of westerns, but strangely enough, I don’t have an author who stands head and shoulders above the rest. I’ve read dozens of books, from cheap pulp magazines to bestsellers, but I couldn’t name a single writer who is the epitome of this genre for me.
Finally, there are two contemporary writers of whom I have (almost) everything in my closet. The first is Jean Marie Auel, after whose main character Ayla we named our second daughter (1991). Despite the fact that she couldn’t maintain the quality after the first brilliant book, she inspired me a lot.
But my second greatest muse is without a doubt Bernard Cornwell, from whom I try to copy the art of writing war stories that you can’t put down. His Sharpe (Napoleonic Wars), Starbuck (American Civil War) and Uhtred series (battle between the Vikings and Anglo-Saxons) I can read over and over again and never get bored. If a writer can make me fall in love with his paper protagonist (for you the quiz question which of the three it was), then for me you are at the top of my list of favorite authors.
Did I mention I didn’t like poetry? I would like to make one very big exception to this. There is one poem that always brings me to tears, a poem that, in my opinion, interprets the war better than any other, with a magical rhythm that suits the subject, an indictment and lamentation at the same time. If I could ever write something like The Charge of the Light Brigade by Alfred, Lord Tennyson…







Comments (2)
Voor ik je kende was ik geen belezen persoon. De standaard excuses als geen tijd, geen zin, te druk, te dik boek lagen op mijn lippen bestorven.
Gelukkig had jij een remedi ….. in vele, vele voorleesavonden met een hapje en een drankje heb je mij jouw wereld ingetrokken en daar blijf ik je dankbaar voor.
De verrijking van het geschreven woord is beklijvend.
Martin
Dank je wel. Dat zijn heel mooie woorden. Het voorlezen was en is me een genoegen 🙂