skip to Main Content

Mijn Muzen

Mijn Muzen

Muzen

Ik geef het toe, de titel klinkt wat oubollig en overmatig poëtisch. En ik ben niet zo van de poëzie. Een boertige tekst voor een schuin kroeglied lukt me nog wel, maar iets van enige kwaliteit zal niet uit mijn vingers komen, vrees ik. Maar goed, “mijn Muzen” is weer eens iets anders dan “mijn inspiratie”, wat een beetje sleets geraakt is door mijn vorige blogs.

Dus mijn Muzen. Want wie zijn mijn Muzen? Ik had al geschreven dat mijn vader een grote inspiratiebron was (daar is-ie weer, het i-woord), maar uiteraard heb ik ook literaire voorbeelden. Niet dat ik vind dat ik waardig in hun voetsporen kan treden. Dat is geen valse bescheidenheid. Helaas zal ik hun niveau nooit halen, maar ze prikkelen wel mijn fantasie en drijven me ertoe te blijven schrijven.

Noch zijn zij de enigen, want ik heb veel gelezen, van Dickens tot Multatuli, van Molière tot Cervantes, van Camões tot Lindgren, van Vergilius tot Burns, en van Hesse tot Homeros, en ik mag het grote voorrecht smaken vele daarvan in de originele taal, aangezien bij elke vertaling, hoe goed ook, altijd wat verloren gaat. Maar een aantal van deze schrijvers heeft me meer geraakt dan enig ander en heeft me beïnvloed in keuze van onderwerp en stijl.

Mijn allereerste Muze was Mary Tourtel. Waarschijnlijk zegt de naam niet iedereen iets, maar ze is de schrijfster van Rupert the Bear, of, zoals hij in het Nederlands heet, Bruintje Beer. Ik heb ze stuk gelezen en heb in het kader van melancholie (dat krijg je als je een bepaalde leeftijd bereikt) onderlaatst de ontbrekende delen ook aangeschaft. En ik beken dat ik ze stiekem af en toe nog lees.

Fantastisch vond ik het, hoe allerlei sprookjes- en fantasy-elementen schaamteloos in één verhaal gepropt werden, met een flinke vleug geschiedenis, van reuzen en kannibalen (men was toen nog niet politiek correct), piraten en dwergen, elfen en cowboys, Indianen en pratende dieren, tovenaars, heksen en ontdekkingsreizigers, struikrovers en bedoeïenen, prinsessen, feeën en betoverde voorwerpen. Toverwezens werden gekoppeld aan bestaande beroepen en volkeren, ze trok zich er niets van aan dat cowboys niet thuishoren in een sprookje. Ze tekende (ja, de tekeningen zijn fan-tas-tisch) een heerlijke wereld vol magie en avontuur.

Mijn allergrootste Muze is echter J.R.R. Tolkien. Nee, niet erg origineel, maar de waarheid. Mijn oudste dochter (1990) heet niet voor niets Arwen. The Lord of the Rings werd me aangeraden door mijn toenmalige leraar Grieks en Latijn, meester Brugman, die helaas te vroeg is overleden. “Dat is net iets voor jou,” zei hij en dus toog ik naar de bibliotheek en heb de boeken in één adem uitgelezen. Ik was meteen verslaafd. Ik weet nog hoe ik met tranen in mijn ogen de klas inkwam en hem smeekte me uit mijn lijden te verlossen en te zeggen of Gandalf écht dood was (dat was nog voor het tijdperk waarin je alles kon googlen). Gelukkig kon hij me geruststellen.

De vraag is dan waarom ik geen fantasy schrijf. Wel, ik heb die aspiraties nog wel, maar durf het nog niet goed aan. De meester staat op zo’n ongekende hoogte dat ik bang ben nooit tevreden te kunnen zijn met het eindresultaat.

Maar twee kenmerken van zijn verhalen zijn al wel in mijn boeken geslopen: talen en stambomen. Tolkien heeft het Elfs gecreëerd en is ook niet bang om het te gebruiken. Ik heb ook de neiging mijn verhalen te doorspekken met woorden of zinnen passend bij de streek en periode waarin het verhaal zich afspeelt voor meer “couleur locale” en sfeertekening, en ik ben zeker van plan dat als ik me ooit waag aan fantasy, ik zeker een eigen taal ga ontwikkelen, al is het maar voor de leut.

Achter in The Lord of the Rings staan uitgebreide stambomen. Niet nodig voor het verhaal, maar voor mij van grote waarde. Waarom? Geen idee. Al als jong meisje ploos ik koninklijke dynastieën uit en als tiener ben ik begonnen mijn eigen stamboom uit te zoeken. Vaak creëer ik eerst de stamboom van de hoofdpersoon en ga dan pas schrijven. Stambomen geven me vaak een zee van ideeën voor intriges.

Andere schrijvers wier boeken ik met veel plezier lees en die ook aan deze “kwaal” lijden, zijn George R.R. Martin en James Michener. Ik bevind me dus in hooggeëerd gezelschap. Dat leidt er wel toe dat er vaak veel personages in mijn boeken zitten, wat niet iedereen aangenaam vindt, maar ik weet niet hoe ik het anders moet doen. Pas in Kwaggakoppie is het me gelukt het bij een klein aantal te houden.

Alexandre Dumas en Rafael Sabatini zijn voor mij dé avonturen- en historische romanschrijvers bij uitstek. Wie kent niet De Drie Musketiers en De Graaf van Monte-Cristo of Scaramouche en Captain Blood? Uiteraard maakt Sir Walter Scott dit driemanschap compleet met onder andere Waverley en Ivanhoe.

De liefde voor verhalen die zich afspelen op oorlogsschepen werd gewekt door de Hornblower-serie van C.S. Forester en die voor Middeleeuwse detectives door de Cadfael-serie van Ellis Peters. Ik ben ook een enorm fan van westerns, maar vreemd genoeg heb ik daar geen auteur die er voor mij met kop en schouders bovenuit steekt. Ik heb tientallen boeken gelezen, van goedkope pulp magazines tot bestsellers, maar ik zou niet één enkele schrijver kunnen noemen die voor mij hét voorbeeld van dit genre is.

Ten slotte zijn er twee hedendaagse schrijvers van wie ik (bijna) alles in de kast heb. De eerste is Jean Marie Auel, naar wier hoofdpersonage Ayla we onze tweede dochter (1991) genoemd hebben. Ondanks dat ze na het eerste briljante boek de kwaliteit niet vast kon houden, heeft ze me bijzonder geïnspireerd.

Maar mijn op één na grootste Muze is zonder enige twijfel Bernard Cornwell, van wie ik de kunst probeer af te kijken hoe je oorlogsverhalen schrijft die je niet weg kunt leggen. Zijn Sharpe– (Napoleontische Oorlogen), Starbuck– (Amerkaanse Burgeroorlog) en Uhtred-series (strijd tussen de Vikingen en Angelsaksen) kan ik keer op keer opnieuw lezen en nooit verveeld raken. Als een schrijver me verliefd kan laten worden op zijn papieren hoofdpersoon (aan jullie de quizvraag welke van de drie dat dan was), dan sta je voor mij bovenaan mijn lijst van favoriete auteurs.

Zei ik al dat ik niet van poëzie hield? Ik zou daar één enkele heel grote uitzondering op willen maken. Er is één gedicht dat me steeds weer in tranen brengt, een gedicht dat in mijn ogen de oorlog beter vertolkt dan welk ander, met een magisch ritme dat past bij het onderwerp, een aanklacht en weeklacht tegelijk. Als ik toch ooit eens zoiets mocht schrijven als The Charge of the Light Brigade van Alfred, Lord Tennyson…

Dit bericht heeft 2 reacties
  1. Voor ik je kende was ik geen belezen persoon. De standaard excuses als geen tijd, geen zin, te druk, te dik boek lagen op mijn lippen bestorven.

    Gelukkig had jij een remedi ….. in vele, vele voorleesavonden met een hapje en een drankje heb je mij jouw wereld ingetrokken en daar blijf ik je dankbaar voor.
    De verrijking van het geschreven woord is beklijvend.

    Martin

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top