skip to Main Content

Met de Billen Bloot

Met De Billen Bloot

Daar is hij dan, Runenjarl, mijn historische roman over een jonge Viking in de 9e eeuw. Wel, hij is er alweer bijna twee maanden, maar ik wilde even wachten tot de website bijgewerkt was en dat duurde wat langer dan gehoopt. Dus alsnog bij deze: mijn jongste boek! En dit keer speelt het verhaal zich af in de tijd die me zo na aan het hart ligt: de Viking Periode.

Mij is vaker gevraagd “Wanneer schrijf je nu eens een roman over de Vikingtijd? Dat is toch de tijd die je al 30 jaar re-enact? Daar weet je toch heel veel van?”

Jazeker, en dat maakt het juist zo moeilijk. Klinkt paradoxaal, maar toch is het zo.

Allereerst duurde het lang voor de inspiratie kwam. Ik vermoed dat dit kwam, doordat ik te dicht met mijn neus op die periode zat. Het is voor mij te “echt”. Ik weet niet goed hoe ik het anders moet omschrijven, maar dit komt het dichtst bij hoe het voelt. Dus dan pakte ik mijn pen (nou ja, mijn toetsenbord, dus) en dacht: “Vikingen. Ja, en nu?”

Als ik een boek schrijf over een andere periode, dan begin ik met me in te lezen, met research, met studeren. En dan leer ik allerlei eigenaardigheden en weetjes en bijzonderheden over die tijd die mijn fantasie prikkelen. Regelmatig tref ik dan een juweeltje en denk: “Dat is tof voor mijn boek!” Zeggen we tegenwoordig nog ‘tof’, eigenlijk? Maar dat terzijde. Maar dan bruist mijn fantasie over en zie ik er hele verhaallijnen omheen en zo ontwikkelt zich dan een verhaal.

En ik kan me verliezen in zo’n tijd met dagdromen. Dat deed ik als klein kind al. Dan liep ik over straat en beeldde me in dat iedereen om me heen ridders waren. Of ik kon niet in slaap komen, maar fantaseerde dan dat ik in een hangmat op een piratenschip lag. Maar door een periode te re-enacten, gaat het fantasievolle er als het ware een beetje vanaf en wordt het soort van “echt”. En dus bleef het dagdromen uit. Ik moest dus terug naar hoe ik ooit over die periode fantaseerde, voor ik me er ook daadwerkelijk in onder dompelde, maar dat was alweer zo’n tijd geleden, dat ik terug moest naar schrijfseltjes van veertig jaar geleden, toen ik nog scenario’s schreef voor D&D.

Dus dat was het eerste obstakel: wat ga ik überhaupt schrijven. Moet het gaan over een krijger? Of juist een boer? Een man? Of een vrouw? Een Deen of een Noor of een Rusvik? Keuzes, keuzes. Ik kwam er niet uit.

Ik wilde de periode ook recht doen. Juist doordat ik deze tijd al zo lang uitbeeldt, weet ik dat er heel veel vooroordelen over bestaan. En die zou ik in een boek ook willen ontzenuwen. Dus het meest voor de hand liggende en spannende personage zou uiteraard een krijger zijn, maar zou ik dan de, vaak verkeerde, vooroordelen niet juist bevestigen? Velen denken bij Vikingen toch al uitsluitend aan woeste, ongeciviliseerde barbaren, die alleen maar plunderen en verkrachten. Die helmen met hoorns, ja, dat weten de meeste mensen inmiddels wel dat dit niet klopt, maar dat beeld van die wrede wildemannen beklijft toch. Dus ik zou ook wat van de rijke cultuur willen laten zien.

Dat bracht me dan meteen bij de volgende valkuil. We weten veel over deze tijd, maar niet alles. We weten dat ze bepaalde feesten en ceremonies hadden, maar niet hoe die er precies aan toe gingen. We weten veel over de kleding, maar niet de details. Er is nog zoveel onzeker. Hoe verder je teruggaat in de tijd, des te meer hiaten er in onze kennis zitten. En dan zit je met het eeuwige dilemma als schrijver: laat ik het helemaal weg of schrijf in een eigen interpretatie, invulling, met het risico dat het historisch fout is?

Als ik het weg zou laten, bleef er toch wel erg weinig corpus over om de rijke cultuur van de Noormannen en Denen recht te doen. Je kan wel schrijven ‘En toen vierden ze jól’, maar dat levert toch niet echt een lekker boek op.

Moet je de iconische berserker weglaten? Of moet je interpreteren wat hij precies was? Moet je al even iconische völva dan maar niet ten tonele voeren of moet je haar rituelen aan de hand van wat we wel weten en vergelijkbare rituelen in nog bestaande culturen erbij verzinnen? Wat was de ‘bloedarend’? Trauma-artsen zijn het erover eens dat zoals het beschreven is, medisch onmogelijk is. Dus moet het een poëtische of figuurlijke beschrijving betreffen, of misschien zelfs wel een vertaalfout. Dus wat doe je daarmee als schrijver?

Ik heb besloten al die onderwerpen die zo typisch voor die tijd en dat volk zijn, niet uit de weg te gaan, me gedegen in te lezen en dan een interpretatie te kiezen die het dichtst komt bij wat het had ‘kunnen zijn’. Maar omdat ik altijd zo historisch correct mogelijk wil schrijven, heb ik dat wel allemaal opgenomen in de Historische Achtergrond, die ik aan het eind van elk boek opneem. Dit keer is die dus tamelijk lang.

Ik had nog een ander probleem, waar ik heel lang mee geworsteld heb. Ik heb veel mensen om raad gevraagd, maar die zagen het probleem ook en hadden ook geen klinkklare oplossing. Want het Oud-Noors, zoals dat in alle bestaande woordenboeken wordt opgenomen, kent een aantal letters, die in ons alfabet niet voorkomen. Als ik die over zou nemen, zou dat mogelijk het lezen bemoeilijken. Het gaat om de volgende letters (en hoofdletters):

ð (Ð) – þ (Þ) – ǫ (Ǫ) – œ (Œ) – ø (Ø) – æ (Æ).

Vooral þ (Þ) zou voor problemen kunnen zorgen, omdat het lijkt op een p of b, wat het niet is.

Natuurlijk zou ik die letters kunnen vervangen. Dan zou ð ‘dh’ worden, þ zou je dan schrijven als ‘th’, æ als ‘ä’ en de andere drie letters als ‘ö’.

Nog afgezien van het feit dat je dan drie verschillende letters (en klanken) allemaal zou vervangen door één en dezelfde letter (ö), zou het ook lastig te lezen namen opleveren. Ik vind ‘Fridhthjófr’ niet fraai, met die ‘dhth’ achter elkaar, bijvoorbeeld. Bovendien, als je een woord of naam terug wilt vinden in een woordenboek, wordt dat ook lastig. Nu zal niet iedereen die neiging hebben, maar voor wie het wel wil, is het een handicap.

En wat doe je met die -r aan het eind van veel namen? Natuurlijk kan ik die weglaten. Rúnúlf of Rúnúlfr maakt niet zoveel verschil. Maar dan zou ik dat wel consequent moeten doen. Dus dan zou berserkr (berserker) berserk worden, wat weer gek klinkt. Die -r hoort er in de oorspronkelijke naam nu eenmaal gewoon achter.

Met andere woorden, elke keer als ik aan schrijven begon, liep ik tegen allerlei dilemma’s op waar ik niet goed mijn weg in vond.

Maar het allerbelangrijkste obstakel was toch wel angst. Het is altijd eng een boek uit te brengen. Mensen gaan het lezen en vinden er dan wat van. Natuurlijk hoop je dat mensen het leuk vinden, maar je weet dat dit niet altijd het geval zal zijn. Mijn boeken werden tot nu toe voor een groot deel gelezen door mensen die ik niet ken. Ze liggen in de bibliotheek en worden geleend of iemand vindt ze online en koopt ze dan. Meestal hoor je dan niet wat iemand ervan vindt. Hooguit kun je zien dat ze aanslaan, als iemand ook deel 2 aanschaft.

Maar ik wist van tevoren dat juist een Vikingroman gelezen zou gaan worden door veel vrienden en kennissen uit de hobby. En je weet dat sommigen het boek leuk zullen vinden, maar anderen kritiek zullen hebben. En kritiek van mensen die je goed kent, is minder anoniem dan van een onbekende uit een verre stad die het in de bibliotheek heeft geleend.

Bovendien betreft dit een lezerspubliek met kennis van zaken! Elke fout, elke misstap, en vooral elke interpretatie van de kennishiaten, zal onder een vergrootglas liggen.

Het engst is echter het feit dat je als schrijver heel veel van jezelf in je boeken legt. Geen meningen, al denken sommigen dat, maar wel hart en ziel, ervaringen en gevoelens, emoties en zwakheden. Je gaat als het ware met je billen bloot. En dat is op zijn zachtst gezegd spannend als je boek gelezen gaat worden door familie, vrienden en bekenden. Je gaat als het ware met je billen bloot en plein publique.

Maar bloed kruipt waar het niet gaan kan, noblesse oblige zogezegd, dus voilà, hier is hij dan, mijn eerste en laatste Vikingroman.

Ik ben benieuwd…

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top