skip to Main Content

PTSS – Zo Oud Als de Weg Naar Rome?

PTSS – Zo Oud Als De Weg Naar Rome?

PTSS is iets wat me interesseert. Waarom? Eenvoudig: ik ben opgegroeid met een vader die eraan leed. Hij kwam uit de Berlijnse kampen tijdens de WWII terug en was nooit meer dezelfde. Toen ik oud genoeg was om het te beseffen, waren de scherpste randjes al weggesleten, maar helemaal genezen is hij nooit.

Als hij lag te slapen en er werd vuurwerk in onze stenen buitenhal gegooid (wat een enorme knal gaf), dan schrok hij wakker en was hij even terug in de huis-tot-huis-gevechten, de bombardementen en schuilkelders. k zag als kind wat het deed, ik herkende het in zijn ogen.

En omdat ik nogal wat (ex-)militairen in mijn familie-/kennissenkring heb, heb ik het verschijnsel wel vaker mogen zien, helaas.

*

Nu kun je van veel meer trauma’s PTSS oplopen, maar het fenomeen is voor het eerst beschreven en erkend in relatie tot de oorlog, dus wil ik me daarop focussen. De vraag is: leden de soldaten van vroeger, van voor de massale wereldoorlogen er ook al aan of niet?

Laten we beginnen met een korte beschrijving van wat het eigenlijk is. Het U.S. Department of Veterans Affairs definieert het aldus: ‘een mentaal gezondheidsprobleem dat sommigen ontwikkelen na het ervaren of zien van een levensbedreigende gebeurtenis, zoals strijd’.

Eén van de vele symptomen is het herbeleven (flashbacks) van de gebeurtenis(sen), bijvoorbeeld in nachtmerries, of na een triggermoment. Vaak kunnen slachtoffers ook niet echt meer hun weg vinden in het gewone leven en hebben ze allerlei aanpassingsproblemen.

Er zijn ook lichamelijke symptomen, zoals bijvoorbeeld hartkloppingen. Andere bekende symptomen zijn verder depressie en hyperactiviteit, overgevoeligheid voor geluid, ‘acute stress responses’, depressie, een laag zelfbeeld en misbruik.

*

Het moet al zo oud zijn als sinds oorlog bestond. Of toch niet? Dat wilde ik uitzoeken. Dat er vroeger niet over geschreven werd, wil niet betekenen dat het er niet was.

Lang werd het niet erkend voor wat het was en vaak rustte er ook een taboe op. Men dacht dat de symptomen voortkwamen uit hartziektes of uit lafheid of andere karakterzwaktes. Zelfs Patton wilde er niet aan en sloeg in 1943 twee soldaten die leden aan wat toen nog ‘battle fatigue’ of ‘shell shock’ heette. Hij verbood het zelfs in zijn legereenheid als reden om uit te vallen!

Die vooroordelen zien we tot zeer recent terug. Na de traumatische, afschuwelijke slachting van de beruchte charge van de lichte brigade in de Slag bij Balaclava (1854) tijdens de Krimoorlog, schilderde lady Butler in 1876 een gelijknamig schilderij. Centraal op het doek staat huzaar W.H. Pennington met een geschokte blik (zie linkerdeel van het plaatje bij deze blog). Hij was bij de charge aanwezig en heeft voor het schilderij geposeerd.

Toen het schilderij voor het eerst aan het publiek getoond werd, werd het geprezen, afgezien van Penningtons figuur. Dat werd keihard afgekraakt. Waarom? Omdat het slecht geschilderd was? Nee, vanwege de geschokte blik op het gezicht van de huzaar, die we tegenwoordig de Thousand-yards Stare noemen en één van de uiterlijke kenmerken van PTSS is.

Eén van de kritieken zei: “Het zou beter geweest zijn als u, meneer Pennington, nooit van de charge teruggekeerd was. U bent theatraal – niet dramatisch – simpelweg ruïneus opdringerig en onecht.” Een krant noemde zijn pose “ontzet en dronken met de wijn van de strijd”.

*

Laten we om te weten of het een jong fenomeen is gerelateerd aan de moderne manier van oorlog voeren of dat het al bestond vanaf het moment dat de mens de wapenen tegen elkaar opnam, dus eerst eens kijken wanneer we de eerste betrouwbare beschrijvingen van PTSS vinden en welke namen eraan gegeven werden en hoe het werd geïnterpreteerd.

In het epos Gilgamesh (2100 v.C.) lijkt de reactie van de hoofdpersoon op de dood van zijn vriend op PTSS, maar dat is een epos. We mogen aannemen dat het geïnspireerd is door ware gebeurtenissen of ervaringen, maar het is vaag ‘bewijs’.

Iets minder oud zijn de kleitabletten uit Mesopotamië (1300 v.C.) die soldaten beschrijven die bezocht worden [in hun slaap] door geesten die ze in de strijd tegengekomen waren.

Nog iets jonger in de geschiedenis beschrijven verschillende Oud-Griekse schrijvers gedrag dat mogelijk als PTSS geïnterpreteerd zou kunnen worden. Zeker weten kunnen we het niet, omdat het verschijnsel toen niet als zodanig bekend was, maar de signalen zijn sterk.

Euripides (480-406 v.C.) schreef in een tragedie over de Trojaanse Oorlog dat Ajax achtervolgd werd door vreselijke nachtmerries over zijn krijgservaringen nadat hij teruggekeerd was naar huis. Onder de invloed van die nachtmerries sloeg hij een kudde schapen dood, omdat hij dacht dat ze vijanden waren die hem achterna zaten. Toen hij bijkwam en zag wat hij gedaan had, pleegde hij in wanhoop zelfmoord. Dit is heel typerend gedrag voor PTSS en hoewel dit maar een toneelstuk betreft, geeft het wel aan dat Euripides dit soort situaties gekend moet hebben of ervan gehoord had.

Maar er zijn ook aanwijzingen in rapporten over de krijg. Xenophon (c.430-c.355 vC) beschrijft in de Anabasis de expeditie van een Grieks huurlingenleger in het Perzische Rijk, ingehuurd door prins Cyrus de Jongere tegen zijn broer koning Artaxerxes II. En Xenophon was niet zomaar een geschiedschrijver: hij had deel uitgemaakt van dat leger! En hij beschrijft een Spartaanse krijger, die hoogstwaarschijnlijk leed aan PTSS en na te lang in de krijg geweest te zijn, zijn weg in het burgerleven niet meer kon vinden.

Nog duidelijker is Herodotus (c.484-425 vC) in zijn beschrijving van de Grieks-Perzische Oorlogen. Hij spreekt aldus over Epizelus, een hopliet die bij Marathon vocht (490 vC):

“Epizelus (…) vocht in het heetst van de strijd en gedroeg zich zoals een dapper man hoort te doen, toen hij plotseling met blindheid geslagen werd, zonder slag van zwaard of pijl; en deze blindheid ging voort gedurende zijn hele leven daarna. Het volgende is het verslag dat hijzelf, zoals ik het gehoord heb, van de zaak gaf: hij zei dat een gigantische krijger, met een enorme baard, die zijn hele schild bedekte, tegenover hem stond, maar de spookachtige verschijning ging hem voorbij en sloeg de man naast hem dood.”

Dus de soldaat werd zonder verwonding blind, nadat zijn kameraad naast hem gedood was. En plotselinge (vaak tijdelijke) blindheid werd vaak tijdens de Wereldoorlogen gemeld als symptoom.

Overigens werd Epizelus bij thuiskomst als oorlogsheld ontvangen. Betekent dit dat de oude Grieken PTSS her- en erkenden?

Als we iets opschuiven in de tijd komen we bij de Romeinen en we weten zeker dat PTSS toen al voorkwam en, belangrijker, erkend werd. Ze kenden namelijk de missio causaria, die het soldaten toestond, die niet langer konden vechten vanwege gebreken of verwondingen, het leger te verlaten met alle voordelen en het pensioen dat hij gehad zou hebben na eervol ontslag na het voltooien van zijn diensttijd.

En die gebreken hoefden niet uitsluitend fysiek te zijn! Men kon er ook een beroep op doen bij een ‘verwonde geest’! Dit riekt toch wel heel erg naar PTSS. Drie legerartsen moesten bepalen of hier inderdaad sprake van was. Wederom waren de Romeinen weer eens moderner dan de mensen uit de eeuwen na hen.

Zouden de gladiatoren er ook aan geleden hebben? Dat waren slaven en hadden dus geen recht op voortijdig ontslag. Maar het kan haast niet anders.

Een ander literair voorbeeld dat zou kunnen bewijzen dat PTSS ook vroeger bestond is het epos Ramayana (750-500 v.C.). De demon Marrich ervaart PTSS-achtige symptomen, zoals vecht-of-vlucht-reactie (hyper-arousal), herbeleving van het trauma en ontwijkingsgedrag, nadat hij bijna door een pijl gedood was.

Maar als we kijken naar de Middeleeuwen, dan zien we nauwelijks enige aanwijzingen. Betekent dit dat het niet voorkwam? Laten we wel wezen: ook toen waren ze bekend met brute veldslagen en oorlogen! En de krijg was niet wezenlijk anders dan in Grieks-Romeinse tijden, dus we mogen aannemen dat het bestond.

We zien terugkerende nachtmerries zoals hierboven beschreven in Gísli Súrsson Saga. De hoofdpersoon droomt zo vaak van gevechten op het slagveld,  dat hij duisternis vreest en ’s nachts niet alleen kan blijven.

Een ridder, genaamd Geoffroi de Charny, die in de eerste helft van de 14e eeuw leefde, heeft ooit een boek geschreven over het leven van een ridder. En daar zien we toch zaken die sterk PTSS doen vermoeden. Hij adviseert ridders hoe ze moeten omgaan met het feit dat ze in oorlog mensen moeten doden. Hij beschrijft dus stressfactoren die we bijvoorbeeld ook terugzien in rapporten van Vietnamveteranen. Hij maakt zich ook duidelijk druk om het mentale welzijn van zijn mede-ridders. Een stukje uit het boek:

“In dit beroep moet je hitte, honger en hard werk verdragen, weinig slapen en vaak op wacht staan. En uitgeput zijn en ongemakkelijk slapen op de grond om abrupt gewekt te worden. En je zult machteloos staan om die situatie te veranderen. Je zult vaak bang zijn als je de vijand op je af ziet komen met neergelaten lansen om je te doorboren en getrokken zwaarden om je neer te hakken. Bouten en pijlen komen op je af en je weet niet hoe je jezelf het beste kunt beschermen. Je ziet mensen elkaar doden, op de vlucht slaan, sterven en gevangengenomen worden en je ziet de lijken van je gesneuvelde vrienden rondom je liggen. Maar je paard is niet dood, en door zijn krachtige snelheid kun je in oneer ontsnappen. Maar als je blijft, win je eeuwige eer.”

De Teutoonse ridders in de Baltische Kruistochten (13e eeuw) schijnen soms last gehad te hebben van ‘rood zien’ en ‘zien door een tunnel’, wat op PTSS zou kunnen duiden.

Dan drogen de aanwijzingen een hele tijd grotendeels op, tenzij we het gedrag van het personage Hotspur in Shakespeare’s Henry IV (Part 1 – 2.3.39-67) meenemen. Het mag dan literatuur zijn, het is wel een zeer overtuigende beschrijving die Hotspurs vrouw in haar rede geeft. Beoordeel zelf of je het met me eens bent:

“O my good lord, why are you thus alone?
For what offense have I this fortnight been
A banished woman from my Harry’s bed?
Tell me, sweet lord, what is ‘t that takes from thee
Thy stomach, pleasure, and thy golden sleep?
Why dost thou bend thine eyes upon the earth,
And start so often when thou sit’st alone?
Why hast thou lost the fresh blood in thy cheeks
And given my treasures and my rights of thee
To thick-eyed musing and curst melancholy?
In thy faint slumbers I by thee have watched,
And heard thee murmur tales of iron wars,
Speak terms of manage to thy bounding steed,
Cry “Courage! To the field!” And thou hast talk’d
Of sallies and retires, of trenches, tents,
Of palisadoes, frontiers, parapets,
Of basilisks, of cannon, culverin,
Of prisoners’ ransom and of soldiers slain,
And all the currents of a heady fight.
Thy spirit within thee hath been so at war
And thus hath so bestirred thee in thy sleep,
That beads of sweat have stood upon thy brow
Like bubbles in a late-disturbèd stream;
And in thy face strange motions have appeared,
Such as we see when men restrain their breath
On some great sudden hest. O, what portents are these?
Some heavy business hath my lord in hand,
And I must know it, else he loves me not.”

In de late 17e eeuw komt de Zwitserse arts Hofer met de term ‘nostalgia’ om soldaten te beschrijven die lijden aan wanhoop en heimwee, en klassieke PTSS-symptomen als slapeloosheid en onrust, beklemming en angst. Rond dezelfde tijd beschrijven Duitse, Franse en Spaanse artsen vergelijkbare ziekten bij hun militaire patiënten.

In 1761 schrijft de Oostenrijkse arts Auenbrugger in het boek Inventum Novum ook over nostalgia, een term die tot ver in de 19e eeuw in zwang bleef, bij soldaten die een trauma meegemaakt hadden. Hij schrijft dat de soldaten lusteloos werden en zich van anderen afkeerden en dat weinig hen uit hun staat kon halen.

Tijdens de Napoleontische oorlogen zijn er duidelijke tekenen dat de arme zielen die de tocht naar Rusland overleefden, eraan leden en ook maarschalk Ney zou na 1812 erdoor aangedaan zijn. Maar hard bewijs is er niet. We kunnen slechts concluderen dat er symptomen beschreven werden die er sterk op duiden.

*

En dan verandert er iets. Tijdens de Krimoorlog (1853-1856) en Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) zien we de eerste tekenen dat men langzaam begint te beseffen dat er sprake is van een serieuze, niet gefakete aandoening die met de strijd te maken heeft, ook al beseft men nog niet dat de oorzaak psychisch is. Maar nostalgia werd een veelvoorkomende medische diagnose. En hoewel sommige artsen het zagen als een teken van zwakte en zeiden dat openlijke spot de beste genezing was, waren er ook al vooruitstrevende zielen die een andere opinie hadden.

Na de oorlog bestudeerde dokter Mendez Da Costa veteranen en ontdekte dat velen leden aan fysieke problemen die niets met verwondingen te maken hadden, zoals hartkloppingen, benauwdheid bij ademen en andere cardiovasculaire symptomen. Men dacht dat die ontstonden door overmatige stimulatie van het zenuwsysteem van het hart en de nieuwe naam werd nu ‘soldatenhart’, ‘geïrriteerd hart’ of ‘Da Costa’s syndroom’. Een echte bewustwording dat het psychisch was, is er dan nog steeds niet, maar een begin is gemaakt om van de gebaande paden af te (durven) wijken.

We zien na deze oorlog overigens ook een enorme piek in scheidingen, iets wat toen niet zo gebruikelijk of geaccepteerd was, wat vaak ook een sterke indicator is dat er iets aan de hand is. Een andere duidelijke indicator is het aantal zelfmoorden.

Overigens is het in die tijd ook wel Railway Shaking of Railway Spine genoemd, toen de symptomen waargenomen werden bij getuigen en overlevenden van vreselijke treinongelukken. Doktoren dachten dat het kwam door het schudden van de ruggengraat.

En dan komt de Eerste Wereldoorlog. Oorlog verandert wezenlijk van aard en plotseling is PTSS een enorm probleem (hoewel dat het zeker na de Amerikaanse Burgeroorlog ook al was, maar daar was weinig oog voor). En weer krijgt het een nieuwe naam: ‘shell shock’. Men denkt nu dat het een medische aandoening is die veroorzaakt wordt door de schok van exploderende granaten. Dus nog steeds wordt de link met de psyche niet afdoende gelegd.

De term shell shock ontstaat al vrij snel na het begin van de oorlog, namelijk februari 1915. Kapitein Myers (Royal Army Medical Corps) beschrijft soldaten met een groot aantal ernstige aandoeningen, waaronder angst, nachtmerries, trillen, slecht zien en horen, nadat ze blootgesteld zijn geweest aan exploderende granaten. Hij denk dat het zenuwstelsel een ‘hersenschudding’ als het ware opgelopen heeft.

Maar in 1916 zien artsen deze symptomen ook bij soldaten die helemaal niet in de buurt van explosies geweest zijn. Men kwam toen met twee categorieën: ‘concussive shock’ en ‘emotional shock’, welke laatste men weet aan onvolledige training van de dienstplichtige. Hun aandoening werd beschouwd als neurasthenie (zenuwinstorting door de oorlog), maar het werd nog steeds samengevat door shell shock of oorlogsneurose.

Vaak keerden patiënten al na een paar dagen rust naar het front terug en zij die langer behandeld werden, kregen vaak hydrotherapie (b.v. wisselbaden) of elektrotherapie.

Aan het einde van de oorlog waren er alleen al in het Engelse leger 80.000 gevallen van shell shock.

In de Tweede Wereldoorlog werden deze aandoeningen toegeschreven aan ‘battle fatigue’, ‘combat fatigue’ en ‘combat stress reaction’, wat aangeeft dat men dacht dat het gerelateerd was aan (te) lange tijd aan het front. Maar ook de term ‘shell shock’ werd nog gebruikt of ‘psychoneurose’. Alle slachtoffers met een psychologische aandoening werden onder de noemer uitputting weggezet en hoewel artsen al wel bekend waren met de oorzaken en symptomen, wilde het leger er niet echt aan.

Halverwege de oorlog leerden ze wel dat neuropsychiatrische slachtoffers wel zo snel mogelijk behandeld moesten worden en niet eerst geëvacueerd van het strijdtoneel, wat resulteerde in slechts 15% die kon terugkeren in dienst. Na 1943 steeg het percentage dat na behandeling weer naar het front kon naar bijna 50%. Ongeveer de helft van de soldaten die uit dienst gestuurd werden, had mogelijk met PTSS te maken.

Kort na WWII stuurde Nederland zijn jongemannen naar Indonesië voor de Politionele Aktie. Ook deze jongens kwamen terug met PTSS, zoals mijn oom. Tropenkolder noemde men het in de volksmond, maar feitelijk was het niets anders dan wat alle soldaten voor hen ook al hadden.

*

In de decennia erna komt er een kentering, langzaam maar gestaag.

In 1952 voegde de American Psychiatric Association ‘gross stress reaction’ toe aan het eerste Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Het was nu algemeen aanvaard dat de aandoening puur psychisch was, veroorzaakt door trauma (dus b.v. ook rampen). Helaas ging men er nog wel vanuit dat de ziekte binnen zes maanden wel over was. Zo niet, dan had het niets met de oorlog te doen.

In 1968 kwam het tweede handboek uit en bovengenoemde diagnose werd weggehaald, maar men voegde ‘aanpassingsreactie aan volwassen leven’ toe, wat niet echt doeltreffend de symptomen omvatte. Dit betekende dat veel veteranen die eraan leden, niet meer de juiste psychologische hulp konden krijgen. Overigens werd de aandoening rond die tijd (ook) Vietnam Veteran’s Disorder genoemd.

Het derde handboek kwam in 1980 uit en daarin werd onderzoek betrokken van allerlei mensen die zware trauma’s doorgemaakt hadden, dus niet alleen veteranen, maar ook overlevenden van de Holocaust en slachtoffers van verkrachtingen. De diagnose maakte een duidelijk onderscheid tussen traumatische gebeurtenissen en andere pijnlijke stressfactoren, zoals scheiding, armoede, ziekte, die niet dezelfde symptomen veroorzaken.

We hebben dus moeten wachten tot 1980 voor het eindelijk erkend werd als een officiële aandoening met een duidelijke omschrijving van oorzaken en symptomen, en het zijn huidige naam kreeg.

Nu wordt het niet langer gezien als een angststoornis, omdat het soms geassocieerd wordt met zowel andere emoties (depressie), als boos of roekeloos gedrag. Het valt nu onder een categorie genaamd Trauma- and Stressor-Related Disorders.

*

Het aantal soldaten dat met PTSS uit moderne oorlogen (WWI e.v.) terugkwam, lag hoog (naar schatting 10% in WWII, 78% van de krijgsgevangenen uit het Pacifisch strijdntoneel tijdens WWII, bij Amerikaanse soldaten 15-30% in de Vietnamoorlog, 12% in de Golfoorlog, 10-20% in de Irakoorlogen), maar hoe zat het voor die tijd?

Dat is moeilijk te achterhalen vanwege de hiervoor genoemde redenen. Maar toch lijkt het erop dat het toen wel voorkwam, maar heel veel minder. Het idee dat de Napoleontische soldaat naar huis terugkeerde met zware symptomen, lijken we toch voorzichtig naast ons neer te moeten leggen. En dat heeft alles te maken met de aard van de oorlogen voor 1914. En een andere oorlog zorgt ook voor een ander trauma.

Waren die oorlogen minder bruut? Nee. En een verzwarende factor was dat er behalve de steun van een pastoor of dominee geen enkele psychologische behandeling bestond of dat er ook maar een greintje begrip voor was. Dus wat maakte het dan zo anders?

Daarop zijn een aantal antwoorden te geven:

  1. geen constante stress: PTSS lijkt immers voornamelijk te ontstaan door het voortdurend onder stress te staan.
  2. (na de intrede van grootschalige batterijen artillerie) geluid van artillerie: ‘shell shock’ was niet eens zo’n verkeerde naam, want het (langdurig) blootgesteld zijn aan de grote herrie van kanonnen is ook een factor van belang. Ik denk hierbij aan mijn vader, die ook voornamelijk getriggerd werd door harde knallen.
  3. (recent) moderne communicatie: een soldaat hoort nu voortdurend hoe het aan het thuisfront is, of er familieproblemen zijn, waardoor ze zich zorgen maken of schuldig voelen.
  4. (recent) bombardementen uit de lucht, van lange afstand of met raketten: het niet zien van de vijand en dus niet weten wanneer er gevaar dreigt, zorgt dat de soldaat voortdurend ‘aan’ staat, constant bang is (zie punt 1). Dit zien we ook bij guerrilla.

Als we bijvoorbeeld kijken naar de Napoleontische oorlogen, lagen er langere pauzes tussen de verschillende slagen. De gemiddelde veldslag was binnen een paar uur gestreden en dan was je er als soldaat meestal weer maanden van af en deed je niet veel meer dan rondhangen in een fort of marcheren. Negen van de tien keer had je geen idee van het grotere plaatje, waar je heen ging of wat je aan het eind van de tocht kon verwachten. In de winter stond een oorlog meestal stil, omdat de wegen dan onbegaanbaar waren of de manschappen ingekwartierd moesten worden om niet te bevriezen. De soldaat had geen idee hoe het thuis was en pas als je de vijand ook daadwerkelijk zag, begon je gevaar te lopen en kreeg je stress.

Daarnaast kostte het tijd om een musket te herladen, zodat je niet gek werd van het geratel van bijvoorbeeld mitrailleurs, en waren ze ook nog eens inaccuraat. Schuttersputjes en loopgraven (anders dan om een stad tijdens een beleg te benaderen) waren zo goed als onbekend. En ook tijdens de slag hing er zoveel rook, dat de soldaat voortdurend verward was en nauwelijks een idee had waar hij was en wat er een paar meter verderop gebeurde. Ze vochten half-blind en half-doof en volledig gedesoriënteerd.

Samengevat: strijd was een onheilspellende mars tot 50-100 meter van de vijand, dan enkele gewelddadige salvo’s in verblindende rook, en nadat één zijde gevlucht was of zich had teruggetrokken, een pauze. Het was geen niet-aflatende, luide strijd zoals later. De korte momenten van strijd waren mogelijk erger dan tegenwoordig (een soldaat liep recht het vuur in, verwondingen van kogels waren gruwelijker, er was slechte medische zorg), maar daartussen waren weken, maanden of soms zelfs jaren rust.

Verder had de soldaat in die tijd vaak geen familie, of in ieder geval zeer zelden vrouw en kinderen om zich druk over te maken. Ze hoefden zich ook geen zorgen over financiën te maken, want het leger gaf alles wat ze nodig hadden, ook al was dat vaak inadequaat. Maar de huidige soldaat weet dat thuis een gezin zit dat rond moet komen of heeft een financieel afhankelijke oude vader of andere familieleden.

Met andere woorden: in de meeste Napoleontische legers was het, met enkele uitzonderingen, ongewoon om in persoonlijk doodsgevaar te zijn de hele dag, elke dag, gedurende maanden achtereen. En daar zit het allergrootste verschil.

Het zien van de vijand was het geval in de traditionele manier van oorlogsvoeren, dus twee legers die opgesteld worden en na manoeuvreren pas ‘los’ gaan. Wezenlijk anders is dat bij guerrilla-oorlogsvoering. Zulke oorlogen, met altijd de angst voor hinderlagen, zoals we bijvoorbeeld zagen in de oorlog tussen de Germanen en Romeinen, de Teutonen en Pruisen, in de Amerikaanse oorlogen van de 18e eeuw, de Peninsula Oorlog etc., veroorzaakten ongetwijfeld meer PTSS dan ‘gewone’ positionele krijg.

*

Maar waarom krijgt onder dezelfde omstandigheden de één wel en de ander geen PTSS? Laten we met klem vooropstellen dat het niet te maken heeft met hoe sterk iemand van karakter is, noch met lafheid of andere zwakte. Er is veel discussie over, maar er schijnen een paar factoren van belang te zijn, die van persoon tot persoon, of van strijdtoneel tot strijdtoneel, kunnen verschillen:

  • Leeftijd van de persoon: hoe jonger, hoe meer risico.
  • Voorafgaande ervaring met de dood: vroeger was de dood altijd en overal door hoge sterftecijfers, openbare terechtstellingen etc., tegenwoordig kunnen mensen volwassen worden zonder ooit iemand te hebben verloren of te hebben zien sterven, zelfs zonder geweld mee te maken.
  • Opvang thuis / publieke opinie: als een soldaat bij terugkeer uit de strijd met de nek aangekeken wordt of in de media wordt neergezet als babymoordenaar (denk aan de Vietnamoorlog) dan draagt dat enorm bij aan het ontwikkelen van een trauma
  • Situatie thuis na terugkeer: als de oorlog gewoed heeft in het thuisgebied van een soldaat en hij treft bij terugkeer een verwoest huis en uitgedunde familie aan (zoals tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog aan zuidelijke zijde), dan vergroot dat de kans op PTSS ook enorm
  • Samenstelling eenheid: als soldaten schouder aan schouder dienden met broers, vaders, neven, buren, vrienden, omdat hele gemeenschappen en dorpen in één eenheid geplaatst zijn, hakt elke dode er extra hard in
  • Uitslag oorlog: men denkt dat wie aan de verliezende zijde staat ook meer risico loopt
  • Delen van ervaringen: hoe meer lotgenoten dezelfde oorlogservaringen delen, des te meer begrip je krijgt en des te beter kun je met PTSS omgaan, dus hoe kleiner het aantal werkelijk vechtende soldaten, des te meer risico
  • Tijdsduur van de terugreis: een langere reis terug naar huis met lotgenoten helpt in verwerking
  • Beroep na de oorlog: veteranen met een naoorlogse baan met hoge stresslevels (politie, brandweer) lopen meer risico
  • Het gebrek aan ‘band of brothers’: oorlogssituaties veroorzaken verbroedering en een gevoel te leven op een ongekend niveau dat na de oorlog niet meer bereikt wordt en een soort afkickverschijnselen veroorzaakt

Eén van de problemen waar iemand die in de oorlog geweest heeft, vaak mee worstelt en die hogelijk bijdragen aan het krijgen van PTSS, is dat je mensen verwondt en doodt. Dat wordt ook van je verwacht. Als je dat dan vervolgens kwalijk genomen wordt, compliceert dit de zaak aanmerkelijk.

Zo moesten de soldaten na Hastings (1066) van de kerk boete doen voor elke persoon die ze verwond of gedood hadden (resp. veertig dagen en één jaar). Boogschutters, die niet wisten hoeveel mensen ze gedood hadden, moesten drie opeenvolgende Vastentijden boete doen en als je je niet meer kon herinneren om hoeveel het ging, kreeg je één dag per week voor de rest van je leven voor je kiezen. Tenzij je rijk was, want dan kon je het met een eenmalige gift aan de kerk afkopen.

En bijvoorbeeld na de Vietnamoorlog en de val van Srebrenica zien we ook hoe het publiek en soms de media de soldaat zijn noodgedwongen daden voor de voeten gooit.

En dan zijn er natuurlijk nog de wel terechte schuldgevoelens, over gruwelijkheden en wreedheden die men misschien in het heetst van de strijd of in een moment van verstandsverbijstering hebt gedaan of waartoe je gedwongen bent. Die schuldgevoelens knagen en drijven iemand tot waanzin.

*

Overigens heeft PTSS wel degelijk ook een fysieke component. Gevaar veroorzaakt het vrijlaten van hormonen en chemicaliën in hersenen en lijf, die hevige veranderingen veroorzaken, wat weer invloed heeft op hoe iemand reageert. Oorlog conditioneert niet alleen blijvend het denkproces, maar omvat ook het niveau van cortisol, hormoonstressreacties, bloeddrukreacties, hartslag, oxytocin, dopamine, serotonine.

Die laatste drie veroorzaken een sterke connectie met kameraden, maar bij thuiskeer wordt het gemist en leidt het al snel tot depressie, gevoelens van isolatie, er niet bij horen. Sommigen proberen het dan te vinden in risicovol gedrag, alcohol en drugs etc. De soldaat moet als het ware afkicken.

Samengevat komt het er dus op neer dat PTSS wel degelijk al zo oud is als de weg naar Rome, echter tot het midden van de 19e eeuw zeldzaam is, maar daarna in sneltreinvaart steeds gewoner wordt.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top